Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2924

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
08-09-2014
Zaaknummer
13-6502 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen verantwoording toegekende pgb voor hulp in de huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/6502 WMO

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

14 november 2013, 13/2494 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. de Miranda, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2014, waar de zaak gevoegd is behandeld met de zaak met registratienummer 12/3256 WMO. Voor appellant is verschenen mr. De Miranda. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.M. Valkering. In de zaak 12/3256 WMO is afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 5 augustus 2011 heeft het college appellant op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) voor de periode van 1 augustus 2011 tot en met

31 oktober 2011 een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor hulp bij het huishouden voor 1,5 uur per week. Bij brief van 9 augustus 2011 heeft het college appellant op de hoogte gesteld van de verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden en kenbaar gemaakt dat hij onder meer dient zorg te dragen voor een door hem en zijn zorgverlener ondertekende

zorg- en/of arbeidsovereenkomst en een deugdelijke en controleerbare salarisadministratie.

1.2.

Bij besluit van 14 december 2011 heeft het college appellant op grond van de Wmo 3,5 uur per week hulp bij het huishouden toegekend voor de periode van 31 mei 2011 tot en met 30 mei 2012 (periode in geding). Het college heeft bij dat besluit tevens de vraag aan appellant voorgelegd of hij de toegekende voorziening in de vorm van een pgb dan wel in de vorm van zorg in natura wil ontvangen.

1.3.

Bij besluit van 24 mei 2012 heeft het college appellant op grond van de Wmo een pgb toegekend voor de periode in geding voor hulp bij het huishouden voor 3,5 uur per week. Bij brief van 30 mei 2012 heeft het college appellant op de hoogte gesteld van de verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden en kenbaar gemaakt dat hij onder meer dient zorg te dragen voor een door hem en zijn zorgverlener ondertekende zorg- en/of arbeidsovereenkomst en een deugdelijke en controleerbare salarisadministratie.

1.4.

Bij besluit van 22 november 2012 heeft het college het besluit van 24 mei 2012 ingetrokken op de grond dat appellant niet aan de verplichtingen tot verantwoording heeft voldaan. Bij dit besluit is verder te kennen gegeven dat het toegekende pgb niet zal worden uitbetaald. Vanwege een door het college gedane toezegging heeft het college meegedeeld wel € 773,- aan pgb uit te betalen.

1.5.

Bij besluit van 16 april 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 november 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat het pgb voor de hulp bij het huishouden over de periode in geding is toegekend bij besluit van 24 mei 2012. Deze toekenning liep zes dagen later af, zodat het niet mogelijk was om aan de aan het pgb verbonden verplichtingen te voldoen. Appellant ontvangt een bijstandsuitkering en omdat in de periode in geding geen uitbetaling van het pgb heeft plaatsgevonden was het voor hem financieel niet mogelijk om betalingen aan zijn zorgverleners te kunnen doen, zodat een salarisadministratie ontbreekt. Wel heeft hij aan zijn zorgverleners vergoedingen toegezegd. Ook is het niet mogelijk om met terugwerkende kracht een zorgovereenkomst te sluiten. Tot slot heeft het college ten onrechte geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule terwijl de door appellant aangevoerde bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding gaven.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil de vraag of appellant in voldoende mate verantwoording heeft afgelegd over het toegekende pgb voor hulp bij het huishouden over de periode in geding.

4.2.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant er niet in is geslaagd te verantwoorden dat hij hulp bij het huishouden heeft ontvangen. Appellant was er, zoals hij in zijn hoger beroepschrift heeft onderkend, van op de hoogte dat deze verplichting tot verantwoording bestaat. Ook is hij er bij brief van 9 augustus 2011 door het college op gewezen op welke wijze hij geacht wordt aan die plicht invulling te geven. Niet in geschil is dat appellant niet aan deze door het college gestelde voorwaarden heeft voldaan. Appellant heeft ook niet anderszins aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens, zoals verklaringen van zijn zorgverleners over verleende hulp en/of declaraties, aannemelijk gemaakt dat hij hulp bij het huishouden heeft ontvangen.

4.3.

De beroepsgrond tegen het niet toepassen van de hardheidsclausule slaagt niet, omdat appellant er niet in is geslaagd te verantwoorden dat hij hulp bij het huishouden heeft ontvangen.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) M.P. Ketting

HD