Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2919

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2014
Datum publicatie
08-09-2014
Zaaknummer
14-1533 AW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:3516
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:3007
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering herziening inschaling met terugwerkende kracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/1533 AW, 14/1534 AW

Datum uitspraak: 4 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van

27 februari 2014, 13/1917 (aangevallen uitspraak 1) en 13/3404 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft schriftelijke reacties gegeven en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2014. Appellant is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door R.H. Laurs.

OVERWEGINGEN

1.

Voor zover in dit geschil de staatssecretaris in de plaats is getreden van de Minister van Financiën, wordt onder staatssecretaris mede de minister verstaan.

2.1.

Appellant was werkzaam bij de Belastingdienst, onderdeel Douane. Met ingang van

1 januari 1992 is hem eervol ontslag verleend, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om vervroegd met pensioen te gaan.

2.2.

Bij brief van 7 maart 2013 heeft appellant verzocht om een onderzoek te doen verrichten naar zijn salaris destijds, omdat hij meent dat hem een salarisverhoging is onthouden, met als gevolg dat hij een te laag pensioen ontvangt. De staatssecretaris heeft bij brief van

9 april 2013 aan appellant laten weten niet aan zijn verzoek te kunnen voldoen.

2.3.

Bij brief van 23 april 2013 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen een besluit van

29 januari 1988 van de staatssecretaris, waarin aan appellant in verband met salarisherziening in het kader van het BBRA 1984 is meegedeeld dat de indeling als groepsfunctionaris voor hem per 1 juli 1987 geen directe salariële gevolgen heeft. Bij besluit van 15 mei 2013 (bestreden besluit 1) is dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet te verontschuldigen termijnoverschrijding. Voorts heeft de staatssecretaris daarbij overwogen dat er geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden zijn die ten tijde van het nemen van het besluit van 29 januari 1988 nog niet bekend waren en niet bekend konden zijn en dat hij geen aanleiding ziet om de inschaling met terugwerkende kracht tot 1 juli 1987 te herzien.

2.4.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen bestreden besluit 1. De staatssecretaris heeft dat bezwaar op grond van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgezonden aan de rechtbank, ter behandeling als een beroep. Voor zover dat bezwaar was gericht tegen de weigering de inschaling met terugwerkende kracht tot 1 juli 1987 te herzien, is het bezwaar bij besluit van 24 september 2013 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

2.5.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1, voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 29 januari 1988 niet-ontvankelijk is verklaard, ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding voor het te laat indienen van het bezwaarschrift en dat de staatssecretaris het bezwaar van appellant op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.6.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen geen andere feiten of omstandigheden te zien dan ten tijde van het besluit van 29 januari 1988 reeds bekend waren.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Aangevallen uitspraak 1

3.1.1. Appellant stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat hem na ontvangst van het besluit van 29 januari 1988 door de inspecteur I/A Venlo is meegedeeld dat bezwaar maken tegen dat besluit niet tot de mogelijkheden behoorde, maar dat er later een bezwaarmogelijkheid zou komen. Verder heeft hij naar voren gebracht dat de brochures waarnaar is verwezen in dat besluit niet aanwezig waren op de locatie waar hij zijn werkzaamheden verrichtte. Daarbij heeft appellant toegelicht dat hij psychisch niet in staat was om rechtsmiddelen aan te wenden, omdat hij tussen 1988 en 1993 niet wilsbekwaam was en onder psychiatrische behandeling stond en dat hij tot 2001 psychisch ziek was.

3.1.2. Op grond van hetgeen appellant heeft aangevoerd, kan worden vastgesteld dat hij volgens zijn eigen stellingen in ieder geval na 2001 niet meer op psychische gronden ziek was. In de tijd dat appellant nadien hersteld was, heeft hij geen rechtsmiddelen aangewend of verzocht om hem alsnog anders in te schalen. De omstandigheid dat appellant vervolgens tot in 2013 heeft berust in zijn positie, brengt de Raad tot het oordeel dat reeds hierom sprake is van een niet verschoonbare termijnoverschrijding. Het bezwaar tegen het besluit van

29 januari 1988 is dus op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard.

3.1.3. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 slaagt niet.

Aangevallen uitspraak 2

3.2.1. Appellant heeft in hoger beroep veel stukken ingediend uit zijn werkzame verleden. De Raad is van oordeel dat die stukken geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden bevatten, maar uitsluitend feiten en omstandigheden die ten tijde van het besluit van 29 januari 1988 aan appellant reeds bekend waren. Zoals de rechtbank met juistheid heeft uiteengezet, kon de staatssecretaris het verzoek om van dit besluit terug te komen om die reden afwijzen. Het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 slaagt daarom niet.

3.3.

De overige gronden die appellant heeft aangevoerd en waarin hij onder verwijzing naar de door hem ingediende stukken uiteenzet dat zijn werkzaamheden op een hoger niveau hadden moeten worden ingeschaald, kunnen, wat er ook van zij, de Raad niet tot een ander oordeel leiden.

3.4.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is er geen grond voor veroordeling van de staatssecretaris tot schadevergoeding.

4.

Aangezien de hoger beroepen niet slagen, zullen de aangevallen uitspraken worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en C.H. Bangma en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2014.

(getekend) R. Kooper

(getekend) S.K. Dekker

HD