Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2918

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-09-2014
Datum publicatie
08-09-2014
Zaaknummer
13-584 AW-T
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. De Raad acht de opdracht tot het beëindigen van de vervangende werkzaamheden niet redelijk. Appellante heeft er terecht op gewezen dat zij zich uitdrukkelijk bereid heeft verklaard om deze werkzaamheden te blijven verrichten, totdat zij zou worden overgedragen aan DCR. Voorts is van betekenis dat het verrichten van de vervangende werkzaamheden voor appellante niet stresserend is gebleken en dat appellante zich feitelijk nog bevond op de plek waar zij de vervangende werkzaamheden tot voor kort had verricht, te weten in de bibliotheek. Er was dan ook geen goede reden om appellante het (wederom) verrichten van die werkzaamheden te onthouden en haar tot aan de plaatsing bij DCR naar huis te sturen. De commandant heeft daartoe niet in redelijkheid kunnen besluiten, zodat het bestreden besluit in zoverre geen stand kan houden. Nieuwe beslissing op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2014/321

Uitspraak

13/584 AW-T

Datum uitspraak: 4 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

19 december 2012, 12/5421 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Commandant Commando Dienstencentra (commandant)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van Zoelen hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juli 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Zoelen. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.M. Cowgill en mr. A.M. Rentema-Westerhof.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was vanaf 16 februari 2009 werkzaam als medewerker kwaliteitszorg bij het Instituut Defensie Leergangen (IDL).

1.2. Sinds 3 februari 2011 kon appellante als gevolg van ziekte haar functie niet of slechts gedeeltelijk uitoefenen. Een arbeidsdeskundige van het Bedrijf Bijzondere Medische Beoordelingen (BMB) heeft op 19 december 2011 geconcludeerd dat appellante tijdelijk ongeschikt was voor de eigen functie. Eind 2011 is appellante ten behoeve van re-integratie gestart met vervangende werkzaamheden. Omdat appellante op 3 februari 2012 langer dan een jaar ziek was, is haar bezoldiging met 30% gekort op grond van artikel 26, eerste lid, van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (IBBAD). In februari 2012 is appellante gestart met het deels verrichten van taken behorende bij haar eigen functie als medewerker kwaliteitszorg.

1.3. Op 9 februari 2012 heeft opnieuw een onderzoek plaatsgevonden door een arbeidsdeskundige van BMB. Deze arbeidsdeskundige heeft in een rapport van 17 februari 2012 geconcludeerd dat, omdat de arbeidsongeschiktheid van appellante inmiddels een jaar heeft geduurd en geen concreet perspectief bestaat op (nagenoeg) volledig herstel voor het eigen werk op korte termijn, appellante ongeschikt geacht wordt voor het eigen werk in volle omvang, inclusief alle belastingeisen, werktijden, arbeidspatroon, werkomstandigheden etc. Appellante wordt door de arbeidsdeskundige niet in staat geacht haar werk voor ten minste 70% uit te voeren en geadviseerd wordt om haar bij het Dienstencentrum Re-integratie (DCR) te plaatsen en haar te begeleiden naar passend werk, binnen dan wel buiten de defensieorganisatie.

1.4. Bij e-mailbericht van 21 februari 2012 heeft de leidinggevende van appellante haar opgedragen haar werkzaamheden bij het IDL te beëindigen en naar huis te gaan. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 21 juni 2012 (bestreden besluit). De commandant heeft hieraan het advies van de arbeidsdeskundige van 17 februari 2012 ten grondslag gelegd. Daarbij is overwogen dat de re-integratie niet voorspoedig verliep en dat, met inachtneming van de Wet Verbetering Poortwachter, het tweede spoor van de re-integratie diende te worden bewandeld. De leidinggevende was verplicht handelend op te treden om te voorkomen dat appellante aan stresserende factoren zou worden blootgesteld, aldus de commandant.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar tegen het e-mailbericht van 21 februari 2012

niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de aanwijzing om te stoppen en naar huis te gaan appellante niet in enig rechtspositioneel belang treft, wat betekent dat die aanwijzing dient te worden aangemerkt als niet meer dan een normaal sturingsmiddel in de bestaande interne verhoudingen. Het e-mailbericht is dan ook niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.

Appellante heeft gemotiveerd hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. De opdracht van de leidinggevende aan appellante om haar werkzaamheden te beëindigen en naar huis te gaan draagt het karakter van een dienstopdracht, aangezien deze aanwijzing de kern van de ambtelijke rechtspositie betreft, namelijk het al dan niet mogen uitoefenen van de opgedragen werkzaamheden en aanwezig mogen zijn op de werkplek.

4.1.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 15 juni 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT8183) is een aan een ambtenaar gegeven dienstopdracht in het algemeen een beslissing houdende een publiekrechtelijke rechtshandeling waarbij het rechtspositionele belang van de ambtenaar rechtstreeks betrokken is. Geen grond wordt gezien om tot een ander oordeel te komen ten aanzien van de opdracht in het e-mailbericht van 21 februari 2012. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat dit e-mailbericht niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

4.1.3. Uit hetgeen onder 4.1.1 en 4.1.2 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.

4.2.

De Raad zal vervolgens, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zich een oordeel vormen over de vraag of de commandant appellante in redelijkheid heeft kunnen opdragen haar werkzaamheden te beëindigen en naar huis te gaan.

4.2.1.

Appellante heeft aangevoerd dat uit het advies van de arbeidsdeskundige van BMB van

17 februari 2012 blijkt dat zij op zichzelf niet ongeschikt is voor haar eigen werk. Uit dit advies blijkt volgens appellante alleen dat zij op 17 februari 2012 nog niet voor ten minste 70% hersteld was en dat een concreet perspectief op volledig herstel ontbrak. Appellante wordt in zoverre gevolgd in dit betoog dat op basis van dit advies moet worden geconcludeerd dat appellante niet geschikt was voor het werk in volle omvang en dat zij niet mocht worden blootgesteld aan stresserende omstandigheden. Dergelijke omstandigheden deden zich voor in de werkzaamheden behorende bij haar functie van medewerker kwaliteitszorg. Dit betekent dat appellante op 21 februari 2012 mocht worden opgedragen haar werkzaamheden te beëindigen, voor zover het de werkzaamheden betreft behorende bij haar functie van medewerker kwaliteitszorg.

4.2.2.

De Raad acht de opdracht tot het beëindigen van de vervangende werkzaamheden echter niet redelijk. Appellante heeft er terecht op gewezen dat zij zich uitdrukkelijk bereid heeft verklaard om deze werkzaamheden te blijven verrichten, totdat zij zou worden overgedragen aan DCR. Voorts is van betekenis dat het verrichten van de vervangende werkzaamheden voor appellante niet stresserend is gebleken en dat appellante zich feitelijk nog bevond op de plek waar zij de vervangende werkzaamheden tot voor kort had verricht, te weten in de bibliotheek. Er was dan ook geen goede reden om appellante het (wederom) verrichten van die werkzaamheden te onthouden en haar tot aan de plaatsing bij DCR naar huis te sturen. De commandant heeft daartoe niet in redelijkheid kunnen besluiten, zodat het bestreden besluit in zoverre geen stand kan houden.

4.3.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de Raad aanleiding om de commandant onder toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet op te dragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Nu appellante heeft verzocht om vergoeding van de schade die zij heeft geleden, dient de commandant daarbij tevens een beslissing te nemen op dit verzoek.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt de commandant op om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 21 juni 2012 te herstellen met in achtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper als voorzitter en C.H. Bangma en W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 september 2014.

(getekend) R. Kooper

(getekend) S.K. Dekker

HD