Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2915

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
04-09-2014
Zaaknummer
13-812 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Indicatie voor Begeleiding Individueel in klasse 4. Ondanks het feit dat behandeling voorliggend is, heeft CIZ een indicatie voor Begeleiding Individueel afgegeven. Daarmee heeft CIZ appellante niet te kort gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/812 AWBZ

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

21 december 2012, 12/1939 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

Centrum indicatiestelling zorg (CIZ)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2014. Voor appellante is verschenen mr. De Leest. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Koedood.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten.

1.1.

CIZ heeft in een besluit van 24 november 2011 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) appellante van

5 november 2011 tot en met 23 november 2011 geïndiceerd voor Begeleiding Individueel in klasse 4 en van 24 november 2011 tot en met 23 november 2012 in klasse 2. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt omdat zij meer begeleiding wenst.

1.2.

CIZ heeft het bezwaar van appellante ongegrond verklaard in een besluit van

23 april 2012. Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het door CIZ uitgevoerde medische onderzoek zorgvuldig is geweest. Op grond van dat onderzoek heeft CIZ zich op het standpunt kunnen stellen dat een behandeling van appellante door een psycholoog of psychiater voorliggend is op een AWBZ voorziening. Volgens de rechtbank heeft CIZ zich verder op het standpunt kunnen stellen dat appellante aanspraak heeft op Begeleiding Individueel naar (niet meer dan) klasse 2.

3.

Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat een psychiatrische expertise nodig is om tot een goed oordeel te komen en dat het door CIZ uitgevoerde onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft appellante verwezen naar een

contra-expertise, uitgevoerd door Welpart B.V. (Welpart). Verder vindt appellante het onjuist dat CIZ na 23 november 2011 geen overgangsperiode in acht heeft genomen.

4.

De Raad overweegt het volgende.

4.1.

Op grond van de stukken staat voldoende vast dat appellante op behandeling is aangewezen. De medisch adviseur van CIZ geeft in zijn rapport van 13 maart 2012 aan dat er voor appellante behandelmogelijkheden zijn, maar dat in de afgelopen dertien jaren niet is gebleken dat appellante bereid en in staat was een behandeling aan te gaan. In het rapport van Welpart wordt geconcludeerd dat een multidisciplinaire behandeling in een revalidatiesetting aangewezen kan zijn. Begeleiding door een ervaren GGZ-medewerker vindt Welpart ook aangewezen. Deze laatste begeleiding is geen begeleiding in de zin van de AWBZ, maar in de zin van de Zorgverzekeringswet. CIZ heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat een behandeling van appellante voorliggend is op een AWBZ voorziening.

4.2.

Ondanks het feit dat behandeling voorliggend is, heeft CIZ een indicatie voor Begeleiding Individueel afgegeven. Daarmee heeft CIZ appellante niet te kort gedaan.

4.3.

Niet valt in te zien waarom CIZ in haar besluit van 24 november 2011 een overgangsperiode had moeten hanteren. CIZ is immers in dat besluit niet teruggekomen op een eerder afgegeven indicatie met een langere looptijd dan tot 24 november 2011.

4.4.

Wat hiervoor is overwogen, betekent dat de beroepsgronden van appellante niet slagen. Inmiddels heeft appellante geen indicatie meer voor Begeleiding Individueel. Op de zitting is namens CIZ gesteld dat zodra appellante met de behandeling is gestart en haar behandelaar het nodig vindt dat begeleiding op grond van de AWBZ wordt geïndiceerd, een nieuwe situatie ontstaat. In zo’n geval is het mogelijk dat Begeleiding Individueel weer wordt geïndiceerd.

5.

Wat hiervoor is overwogen, houdt in dat de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

6.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) M.P. Ketting

HD