Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2909

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
04-09-2014
Zaaknummer
12-5575 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Beperkingen niet onderschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5575 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

6 september 2012, 12/368 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H.J.A. Aerts, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2014. Appellante en mr. Aerts zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als verkoopster van automaterialen gedurende 20 uur per week. Zij is op 26 november 2007 betrokken geweest bij een auto-ongeluk en had daarna hoofd- en nekpijn. Op 28 september 2009 heeft appellante zich ziek gemeld met whiplashklachten. Later heeft zij ook psychische klachten gekregen.

1.2. Bij besluit van 8 augustus 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat met ingang van

26 september 2011 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan voor appellante, omdat zij met ingang van die dag minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het Uwv heeft het bezwaar bij beslissing op bezwaar van 10 februari 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 9 februari 2012 ten grondslag.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank achtte de verzekeringsgeneeskundige advisering die ten grondslag lag aan het bestreden besluit in overeenstemming met het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de overigens daaraan te stellen zorgvuldigheidsvereisten. Zij zag geen aanleiding om de conclusie van dat verzekeringsgeneeskundig onderzoek in twijfel te trekken en achtte het achterwege laten van een urenbeperking in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet onjuist, omdat voltijds werken voor appellante niet aan de orde was, gezien de omvang van haar werkzaamheden bij haar ex-werkgever.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar eerder ingenomen standpunt herhaald. Dat komt erop neer dat haar beperkingen zijn onderschat, onder andere wat betreft werktijden. Appellante heeft gewezen op de diagnosen die bij haar zijn gesteld en de uitgebreide lichamelijke klachten die zij als gevolg daarvan ondervindt. Verder heeft zij benadrukt forse cognitieve en psychische klachten te ondervinden. Zij meent in haar standpunt te worden gesteund door haar huisarts, psychologen, fysiotherapeut en revalidatie-arts.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank is gemotiveerd op de stellingen van appellante ingegaan. De Raad kan zich verenigen met de overwegingen van de rechtbank. Daaraan wordt toegevoegd dat de door appellante in hoger beroep nogmaals overgelegde medische informatie bekend was bij het Uwv en door diens artsen is betrokken in hun oordeel over de belastbaarheid van appellante per 26 september 2011. Ook het rapport van psychologe Lenaers van 24 augustus 2011 waarop appellante zich ter zitting heeft beroepen in verband met de daarin gesignaleerde duidelijke samenhang tussen de psychische en de lichamelijke klachten, was bekend bij de bezwaarverzekeringsarts toen die zijn rapport van 9 februari 2012 opstelde. Uit de overgelegde informatie blijkt niet dat de belastbaarheid van appellante per 26 september 2011 is overschat door het Uwv. Voor inwilliging van het verzoek van appellante om een deskundige in te schakelen bestaat in de gegeven situatie geen aanleiding.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 september 2014.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) M.P. Ketting

JvC