Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2900

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2014
Datum publicatie
02-09-2014
Zaaknummer
13-2807 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van, in rechte onaantastbaar geworden, besluit. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2807 WWB

Datum uitspraak: 2 september 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

11 april 2013, 12-1349 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Oldambt te Winschoten (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 22 juli 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 31 oktober 2007 heeft het college aan appellante bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend ten behoeve van de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten. De bijzondere bijstand is verleend in de vorm van borgtocht voor een bij de Volkskredietbank (VKB) af te sluiten lening. Verder is haar aanvullend bijzondere bijstand toegekend om het deel van de aflossingsverplichting van de lening boven de eigen aflossingscapaciteit te kunnen voldoen. Bij brief van 4 december 2008 heeft de VKB het college als borg aangesproken vanwege een openstaande schuld van € 5.615,11. Het college heeft dit bedrag aan de VKB betaald.

1.2.

Bij besluit van 26 maart 2009 heeft het college het aan de VKB betaalde bedrag van

€ 5.615,11 van appellante teruggevorderd. Voorts heeft het college bij besluit van 27 maart 2009 een bedrag van € 442,77 van appellante teruggevorderd. Dit bedrag was als bijzondere bijstand over de periode van 15 augustus 2008 tot en met 28 februari 2009 abusievelijk aan appellante betaald in plaats van dit aan te wenden voor de aflossing aan de VKB. Appellante heeft tegen de besluiten van 26 en 27 maart 2009 geen rechtsmiddel ingesteld.

1.3.

Over de periode van 1 maart 2009 tot en met 30 november 2010 heeft het college opnieuw abusievelijk bijzondere bijstand aan betrokkene betaald. Bij besluit van 20 april 2011 heeft het college het over die periode betaalde bedrag van € 67,63 per maand, in totaal

€ 1.420,23, van appellante teruggevorderd. Nadat appellante tegen dat besluit bezwaar had gemaakt heeft het college bij besluit van 26 maart 2012 het besluit van 20 april 2011 ingetrokken. Daarbij heeft het college te kennen gegeven dat van de terugvordering wordt afgezien vanwege een reeks van vergissingen van de afdeling Werk en Inkomen.

1.4.

Appellante heeft bij brief van 2 mei 2012 aan het college verzocht om het besluit van

27 maart (lees: 26 maart) 2009 te herzien, in die zin dat zij recht heeft op bijzondere bijstand voor de aflossing van de lening bij de VKB. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het college in het besluit van 26 maart 2012 heeft erkend dat sprake is geweest van een reeks van vergissingen. De in het besluit van 26 maart 2009 opgenomen terugvordering van € 5.615,11 is eveneens veroorzaakt door vergissingen van het college. Het college zou het bedrag van

€ 149,75, dat als bijzondere bijstand aan haar was toegekend, aan de VKB betalen. Het college is echter om onverklaarbare redenen nimmer tot aflossing van de lening aan de VKB overgegaan en werd uiteindelijk als borg aangesproken. De problemen zijn derhalve veroorzaakt door het college en niet door appellante.

1.5.

Bij besluit van 6 juni 2012, na bezwaar gehandhaafd en nader gemotiveerd bij besluit van 9 november 2012 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek van appellante met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante tegen het besluit van 26 maart 2009 geen rechtsmiddelen heeft aangewend zodat dat besluit onherroepelijk is geworden. Van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb is volgens het college geen sprake.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het verzoek van appellante van 2 mei 2012 strekt ertoe dat het college terugkomt van zijn, in rechte onaantastbaar geworden, besluit van 26 maart 2009. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld CRvB 21 oktober 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AM3202) is op zo’n verzoek artikel 4:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan het verzoek op deze manier afwijzen. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.2.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het besluit van het college van 20 april 2011 en het nadere besluit van 26 maart 2012, waarbij het besluit van 20 april 2011 weer is ingetrokken in verband met een aantal vergissingen van het college, niet als nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb kunnen worden aangemerkt. Volgens de rechtbank stond appellante niets in de weg om haar grieven ten tijde van het oorspronkelijke terugvorderingsbesluit van 26 maart 2009 aan de orde te stellen. Dat appellante dat destijds om haar moverende redenen niet heeft gedaan kan niet tot een andersluidend oordeel leiden. De door appellante in hoger beroep aangevoerde beroepsgrond dat zij destijds geen reden had om tegen het besluit van 26 maart 2009 bezwaar te maken omdat haar klantmanager haar had toegezegd dat zij bijzondere bijstand zou ontvangen als compensatie voor de terugvordering, treft geen doel. Niet gebleken is dat de klantmanager appellante heeft afgehouden van het indienen van een bezwaarschrift tegen het besluit van 26 maart 2009 of dat zij toezeggingen heeft gedaan over de toekenning van bijzondere bijstand. Dat er feitelijk betalingen zijn verricht aan appellante, waarvan nadien is erkend dat die betalingen op een vergissing berustten, staat los van het terugvorderingsbesluit van 26 maart 2009. Het college mocht het verzoek van appellante van 2 mei 2012 dan ook afwijzen onder verwijzing naar het besluit van 26 maart 2009.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. Hillen en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) C. Moustaine

HD