Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2889

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-08-2014
Datum publicatie
02-09-2014
Zaaknummer
12-5607 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De mededeling aan appellante dat zij bij verhuizing naar Senegal geen uitkering meer zal ontvangen omdat Senegal en Nederland geen handhavingsverdrag hebben gesloten, moet op één lijn worden gesteld met een besluit. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Beroep op artikel 1 en 8 van het EVRM, artikel 12, aanhef en lid 4, van het ESH en artikel 9 van het IVESCR, slaagt niet.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/316
JB 2014/207
NJB 2014/1643
ABKort 2014/320
AB 2014/388
RSV 2014/241

Uitspraak

12/5607 WAO

Datum uitspraak: 29 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

13 september 2012, 11/985 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te Spanje (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2014. Voor appellante is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A. Anandbahadoer.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Het Uwv heeft een vraag van de Raad beantwoord.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellante is per 15 november 2006 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij brief van 31 augustus 2010 heeft appellante het Uwv verzocht haar toestemming te verlenen om per 1 augustus 2011 met behoud van deze uitkering te verhuizen naar Senegal. De reden hiervoor was gelegen in de zorg voor haar zoon. In Senegal zou zij deze zorg kunnen delen met de Senegalese vader van haar zoon en diens familie.

1.3. Op 21 september 2010 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat zij bij verhuizing naar Senegal op 1 augustus 2011 geen uitkering meer zal ontvangen omdat Senegal en Nederland geen handhavingsverdrag hebben gesloten. Namens appellante is hiertegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij het bestreden besluit van 7 maart 2011 ongegrond verklaard.

1.4. Appellante is inmiddels met behoud van haar uitkering verhuisd naar Spanje.

2.

De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat de brief van

21 september 2010 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat deze brief niet zelfstandig op rechtsgevolg is gericht. Pas op het moment dat appellante zich in Senegal vestigt, zal het Uwv een besluit tot beëindiging van haar WAO-uitkering kunnen nemen. De stelling van appellante dat het onevenredig bezwarend voor haar is dat zij eerst naar Senegal moet verhuizen alvorens zij een besluit tot beëindiging van haar uitkering door de rechter kan laten toetsen, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel gebracht. De rechtbank merkt hierover op dat de Awb de bestuursrechter geen ruimte laat een informatieve mededeling die geen besluit in de zin van deze wet is, te toetsen. Deze overwegingen hebben de rechtbank ertoe geleid het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en appellantes bezwaar

niet-ontvankelijk te verklaren, met bepalingen omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

3.1.

In hoger beroep is namens appellante in de eerste plaats naar voren gebracht dat een bestuurlijk rechtsoordeel, ondanks het ontbreken van een rechtsgevolg, als besluit moet worden aangemerkt in de situatie waarin het voor de betrokkene onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit bij de bestuursrechter aan de orde te stellen. Daarbij is verwezen naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

(ECLI:NL:RVS:2004:AQ7004 en ECLI:NL:RVS:2009:BJ1862) en van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2009:BK4988). Voor de inhoudelijke beoordeling van het geschil is een beroep gedaan op artikel 1 van het Protocol nr. 1 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol), artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 12, aanhef en lid 4, van het Europees Sociaal Handvest (ESH) en artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele rechten (IVESCR).

3.2.

Het Uwv heeft in zijn verweerschrift het oordeel van de rechtbank onderschreven.

4.1.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaar oordeelt de Raad als volgt.

4.2.

Appellante heeft aan het Uwv toestemming gevraagd om op 1 augustus 2011 met behoud van haar uitkering in Senegal te gaan wonen. In de brief van het Uwv van 21 september 2010 is haar meegedeeld dat de uitkering bij verhuizing op 1 augustus 2011 naar Senegal zal worden beëindigd. Deze mededeling heeft geen voorlopig en algemeen karakter en is niet aan te merken als het verstrekken van informatie. Er wordt zonder voorbehoud een oordeel gegeven over de toepassing van een wettelijk voorschrift in een concrete situatie. Dat is aan te merken als een bestuurlijk rechtsoordeel. Dit bestuurlijke rechtsoordeel moet in de voorliggende situatie op één lijn worden gesteld met een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, nu het voor appellante onevenredig bezwarend is om naar Senegal te verhuizen alvorens zij in rechte beoordeeld kan krijgen of haar uitkering in dat geval terecht wordt beëindigd. Zij zou dan alle schepen achter zich moeten verbranden. Anders is geen sprake van het verleggen van haar woonplaats.

4.3.

Nu de brief van 21 september 2010 op één lijn moet worden gesteld met een besluit, moet worden vastgesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bezwaar
niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De aangevallen uitspraak moet derhalve worden vernietigd.

5.1.

Teneinde tot een definitieve beslechting van het geschil te komen, overweegt de Raad met betrekking tot de inhoudelijke kant van het geschil het volgende.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat toepassing van het nationale recht bij verhuizing naar Senegal zal leiden tot de intrekking van appellantes uitkering op grond van de WAO.

5.3.1.

Namens appellante is in de eerste plaats een beroep gedaan op artikel 1 van het Eerste Protocol. In dit verband is van belang dat - zoals in het bestreden besluit is vermeld - per
1 januari 2000 de Wet beperking export uitkeringen in werking is getreden. Per die datum is middels de Wijzigingswet beperking export uitkeringen artikel 43b in de WAO ingevoegd en is artikel 20 van die wet, waarnaar in artikel 43b wordt verwezen, gewijzigd. In artikel 43b is bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken indien de verzekerde niet meer in Nederland woont, behoudens de in artikel 20 opgenomen uitzondering dat de betrokkene woont in een land waarin op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering kan bestaan.

5.3.2.

Aan appellante is per 15 november 2006 een WAO-uitkering toegekend. Deze uitkering kan worden aangemerkt als eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol. Dit eigendom omvat evenwel niet meer dan aan appellante op die datum is toegekend, te weten een uitkering waarvoor onder andere de voorwaarde geldt dat zij in Nederland dan wel in
- kort gezegd - een verdragsland woonachtig is. Op dit eigendom is met het bestreden besluit geen inbreuk gemaakt. Verwezen wordt naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 10 november 2009, Bladh vs Zweden, nr. 46125/06.

5.3.3.

Het beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol kan daarom niet slagen.

5.4.1.

Namens appellante is voorts een beroep gedaan op het in artikel 8 van het EVRM neergelegde recht op gezinsleven. Daarbij is erop gewezen dat haar zoon recht heeft op gezinsleven met zowel zijn vader als zijn moeder. Het gezinsleven met de vader kan onvoldoende worden uitgeoefend doordat deze geen toegang tot Nederland heeft. Door de intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt een gezinsleven in Senegal onmogelijk gemaakt, aldus de gemachtigde van appellante.

5.4.2.

Zoals de Raad al bij herhaling heeft overwogen, merkt het EHRM als “the very essence” van het EVRM aan, respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven en gezinsleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen, alsmede het gezinsleven te beschermen. Het artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborg van het recht op privéleven en bescherming van het gezinsleven. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime ‘margin of appreciation’ toekomt.

5.4.3.

Ten tijde dat appellante in Nederland woonachtig was, stond niets aan een normaal gezinsleven van haar met haar zoon in de weg. Nu zij met behoud van haar uitkering naar Spanje is verhuisd, is hierin geen wijziging gekomen. Vanaf de geboorte van de zoon in 2003 tot appellantes verzoek van 31 augustus 2010 om haar uitkering te mogen exporteren, heeft geen dan wel een zeer beperkt gezinsleven tussen de zoon en zijn vader plaatsgevonden. Niet valt in te zien dat op grond van artikel 8 van het EVRM op (een orgaan van) de Staat de positieve verplichting zou rusten door middel van export van appellantes uitkering gezinsleven tussen de zoon en zijn vader mogelijk te maken. Het niet aannemen van een dergelijke positieve verplichting gaat de ‘margin of appreciation’ van de staat niet te buiten.

5.4.4.

Ook het beroep op artikel 8 van het EVRM kan derhalve niet slagen.

5.5.1.

Namens appellante is voorts een beroep gedaan op artikel 12, aanhef en lid 4, van het ESH en artikel 9 van het IVESCR. Volgens eerstgenoemde bepaling verplichten partijen bij het ESH zich stappen te ondernemen teneinde een gelijke behandeling van onderdanen van verdragspartijen en eigen onderdanen te waarborgen, met inbegrip van het behoud van uitkeringen ongeacht verplaatsingen van de beschermde personen tussen de grondgebieden van verdragspartijen. In artikel 9 van het IVESCR is neergelegd dat de staten die partij zijn bij dit verdrag, het recht van ieder op sociale zekerheid erkennen, daarbij inbegrepen sociale verzekering.

5.5.2.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 1 november 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BB7475), kan artikel 12, aanhef, vierde lid, aanhef en onder a, van het ESH, niet worden aangemerkt als een ‘eenieder verbindende bepaling’ als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet. Gelet op de bewoordingen en strekking van deze bepaling is daarin veeleer sprake van een algemeen geformuleerde sociale doelstelling, tot het nastreven en verwezenlijken waarvan in hun regelgeving de verdragsstaten zich hebben verbonden, dan van een door die verdragsstaten erkend recht, waarop de burgers zich in hun nationale rechtsorde zonder meer kunnen beroepen. Met betrekking tot artikel 9 van het IVESCR moet hetzelfde worden overwogen.

5.5.3.

Dit neemt niet weg dat genoemde bepalingen in zoverre een rol kunnen spelen dat nationale bepalingen in het licht van deze door de staat op zich genomen verplichtingen moet worden uitgelegd. Niet valt in te zien dat dit er in het voorliggende geval toe zou moeten leiden dat aan appellante, in weerwil van het bepaalde in artikel 43b van de WAO, bij verhuizing naar Senegal een WAO-uitkering zou toekomen.

5.5.4.

Ook het beroep op artikel 12, aanhef en lid 4, van het ESH en artikel 9 van het IVESCR kan derhalve niet slagen.

5.6.

Het onder 5.2 tot en met 5.5.4 overwogene leidt tot het oordeel dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad daartoe overgaan.

6.

Er is aanleiding het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 974,- voor kosten van rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep tot een bedrag van € 974,-;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot vergoeding van het griffierecht in hoger beroep ten bedrage van
    € 115,-.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en
L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2014.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) M.P. Ketting

TM