Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2886

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
02-09-2014
Zaaknummer
13-194 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Weigering WIA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen aanknopingspunten voor de door appellante gestelde verdergaande medische beperkingen. 2) Herziening en terugvordering WW-uitkering en ZW-uitkering. Onderzoek werknemersfraude. Het Uwv heeft aannemelijk gemaakt dat appellante, die bij de behandeling van de WW-aanvraag aan het Uwv had opgegeven tien uur per week te besteden aan haar eigen onderneming, vanaf de aanvang van haar werkloosheid haar werkzaamheden heeft uitgebreid naar 25 uur per week.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/194 WIA, 13/717 WW, 13/718 ZW

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

30 november 2012, 12/119 (aangevallen uitspraak 1) en op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 21 januari 2013, 12/918 en 12/1072 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraken.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2014. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als administratief medewerkster gedurende 36 uur per week. Wegens verlies van dit werk is zij met ingang van 1 februari 2008 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidwet (WW).

1.2. Appellante was sinds 1 januari 2004 eigenaar van de eenmanszaak [naam bedrijf]

([naam bedrijf]). Bij de behandeling van haar WW-aanvraag heeft zij aan het Uwv opgegeven dat zij gedurende tien uur per week in haar onderneming werkzaam was.

1.3. Appellante heeft zich op 12 november 2009 bij het Uwv ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft haar met ingang van 1 januari 2010 een uitkering toegekend op grond van de Ziektewet (ZW).

1.4. Met een op 9 augustus 2011 door haar ondertekend formulier heeft appellante bij het Uwv een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.5. Bij besluit van 20 september 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 10 november 2011 niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering, omdat haar mate van arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%.

1.6. Naar aanleiding van een melding van de gemeente [woonplaats] heeft het Uwv een onderzoek ingesteld naar de werkzaamheden van appellante voor [naam bedrijf]. Op grond van de bevindingen van H. Datema, inspecteur bij de Directie Handhaving van het Uwv, die zijn neergelegd in een onderzoeksrapport werknemersfraude van 31 januari 2012, heeft het Uwv bij besluiten van 29 maart 2012 de WW-uitkering herzien met ingang van 4 februari 2008 en de ZW-uitkering met ingang van 1 januari 2010. Bij deze besluiten heeft het Uwv van appellante een bedrag van € 11.492,- teruggevorderd aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering over de periode van 4 februari 2008 tot en met 31 december 2009 en een bedrag van € 11.481,22 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde ZW-uitkering over de periode van 1 januari 2010 tot en met 9 november 2011. Het Uwv heeft zijn besluiten van 29 maart 2012 gegrond op zijn uit het onderzoeksrapport werknemersfraude getrokken conclusie dat appellante met ingang van 4 februari 2008 haar werkzaamheden voor [naam bedrijf] heeft uitgebreid naar 25 uur per week, zodat vijftien uur per week moeten worden gekort op de WW-uitkering en het ZW-dagloon met een factor 21/36 moet worden verlaagd.

1.7. Appellante heeft zowel tegen het besluit van 20 september 2011 als tegen de besluiten van 29 maart 2012 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 6 februari 2012 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 20 september 2011 ongegrond verklaard en zijn besluit gehandhaafd dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering. Het Uwv heeft bij besluit van 20 september 2012 (bestreden besluit 2) de bezwaren tegen de besluiten van
29 maart 2012 ongegrond verklaard en zijn besluiten tot herziening en terugvordering van de WW-uitkering en de ZW-uitkering gehandhaafd.

2.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellante geen medische gegevens heeft ingezonden en dat er geen aanknopingspunten zijn om meer beperkingen aan te nemen voor het verrichten van arbeid dan het Uwv heeft vastgesteld.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak 2, voor zover in hoger beroep van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat op grond van de verklaringen van getuigen die zijn gehoord in het kader van het in 1.6 genoemde onderzoek en op grond van de door appellante bij de Belastingdienst geclaimde zelfstandigenaftrek aannemelijk is dat appellante de uren in haar eigen bedrijf heeft uitgebreid tot 25 uur per week. Volgens de rechtbank is het Uwv op goede gronden overgegaan tot herziening en terugvordering van de WW-uitkering en de ZW-uitkering. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank geen dringende redenen op grond waarvan het Uwv van herziening en terugvordering had moeten afzien.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante in de WIA-zaak betoogd dat de rechtbank ten onrechte de ongegrondverklaring van haar beroep heeft doen steunen op het feit dat appellante niet erin is geslaagd om een rapport in te brengen van een door haar aangezochte medisch adviseur. Zij heeft herhaald dat het Uwv geen volledig beeld heeft gekregen van haar medische situatie.

3.2.

In de WW- en ZW-zaak heeft appellante betoogd dat de getuigenverklaringen niet kunnen dienen tot het bewijs dat zij 25 uur per week voor [naam bedrijf] heeft gewerkt. Volgens appellante is zij in 2008 juist minder actief geworden in haar onderneming omdat zij een boekhouder had ingeschakeld. Zij verwijt het Uwv dat de fraude-inspecteur geen eigen waarnemingen heeft gedaan. En er is volgens appellante sprake van een gebrekkige besluitvorming door het Uwv, omdat bij de toekenning van de WW-uitkering niet is vermeld dat er sprake is van tien zogenoemde vrij te laten uren.

3.3.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken gevraagd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van de WIA-uitkering

4.1.

Appellante heeft ten onrechte in hoger beroep erover geklaagd dat de rechtbank haar beroep uitsluitend ongegrond zou hebben verklaard, omdat zij haar toezegging een rapport van haar medisch adviseur in te brengen niet is nagekomen. Uit de overwegingen van de aangevallen uitspraak 1 blijkt duidelijk dat de rechtbank ten gronde heeft beoordeeld of de beroepsgrond dat de medische beperkingen van appellante niet juist zijn vastgesteld, kan slagen.

4.2.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat aanknopingspunten voor de door appellante gestelde verdergaande medische beperkingen ontbreken. Aan het bestreden besluit 1 ligt een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag. Appellante is zowel door een verzekeringsarts als door een bezwaarverzekeringsarts onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts heeft informatie opgevraagd bij de huisarts van appellante. Deze informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts blijkens zijn rapport van 25 januari 2012 bij de heroverweging betrokken. Informatie van een door appellante geconsulteerde neuroloog en röntgenologische bevindingen waren onderdeel van de brief van de huisarts van

19 januari 2012.

4.3.

Het hoger beroep in de WIA-zaak slaagt niet.

Ten aanzien van de WW-uitkering

4.4.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellante, die bij de behandeling van de WW-aanvraag aan het Uwv had opgegeven tien uur per week te besteden aan haar eigen onderneming, vanaf de aanvang van haar werkloosheid haar werkzaamheden voor [naam bedrijf] heeft uitgebreid naar 25 uur per week. Niet geloofwaardig is de stelling van appellante dat zij vanaf 4 februari 2008 in het geheel geen tijd meer in haar onderneming heeft gestoken. De werknemers van appellante, die in het kader van het onderzoek door de fraude-inspecteur zijn gehoord, hebben verklaard dat appellante veel in het eetcafé aanwezig is geweest. De verklaringen van de getuigen passen bij het gegeven dat met de werkuren van de werknemers bijeen geteld slechts een beperkt deel van de openingstijden van [naam bedrijf] werd bestreken. De getuigen[naam getuige A.] en [naam getuige B.] hebben verklaard waarop zij hun wetenschap over de aanwezigheid van appellante bij

[naam bedrijf] hebben gebaseerd.

4.5.

Appellante heeft tegenover de door het Uwv verzamelde gegevens met betrekking tot de door appellante in haar bedrijf gewerkte uren geen enkel verifieerbaar gegeven gesteld. De stelling van appellante dat zij door een toegenomen inzet van haar boekhouder haar activiteiten in de onderneming in 2008 tot nagenoeg nihil had weten terug te brengen, staat haaks op de verklaringen van de getuigen van wie appellante door de dag heen de werkzaamheden bij [naam bedrijf] overnam of die samen met haar hebben gewerkt en wisten dat appellante het eetcafé ’s avonds afsloot, omdat zij daarvoor niet verantwoordelijk waren.

4.6.

Voor de door appellante ter zitting betrokken stelling dat haar partner het eetcafé zou runnen in de uren waarin er geen personeel aanwezig is, ontbreekt elke onderbouwing. Tijdens haar verhoren door de fraude-inspecteur op 15 september 2011 en 8 november 2011 heeft appellante over geen andere activiteit van haar partner ten behoeve van haar onderneming gesproken dan een contact met de boekhouder over het aantal door het personeel gewerkte uren.

4.7.

Onbegrijpelijk is de stelling van appellante dat herziening en terugvordering van de
WW-uitkering achterwege moeten blijven omdat in het besluit, waarbij appellante in aanmerking is gebracht voor een WW-uitkering, niet is vermeld dat het Uwv, in het geval appellante haar werkzaamheden als zelfstandige zou uitbreiden, bij een urenkorting tien uren als zogenoemde vrij te laten uren buiten beschouwing zou laten. Uit de gedingstukken blijkt dat bij aanvang van de WW-uitkering met appellante is besproken dat zij naast haar werk als administratief medewerkster tien uur per week in haar eigen bedrijf actief was. Bij de herziening van de WW-uitkering heeft het Uwv daarom de korting beperkt tot vijftien uur per week.

Ten aanzien van de ZW-uitkering

4.8.

Op grond van de door het Uwv in het kader van het fraudeonderzoek verzamelde gegevens is aannemelijk dat appellante haar werkzaamheden voor [naam bedrijf] heeft voortgezet nadat zij zich op 12 november 2009 vanuit de WW bij het Uwv ziek had gemeld. Uit wat in 4.4 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het Uwv op goede gronden ook de ZW-uitkering van appellante heeft herzien door het daaraan ten grondslag liggende dagloon te verlagen.

4.9.

Het Uwv heeft ter zitting opgemerkt dat in het bestreden besluit 2 ten onrechte niet is vermeld dat op grond van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen het

ZW-dagloon wordt vastgesteld op het WW-dagloon. Er is geen aanleiding aan dit gebrek in de motivering van het bestreden besluit 2 een gevolg te verbinden. Appellante heeft immers niet gesteld dat de nadere vaststelling van het ZW-dagloon ook onjuist zou zijn in het geval terecht met de urenuitbreiding met ingang van 4 februari 2008 rekening is gehouden.

Ten aanzien van de WW-uitkering en de ZW-uitkering

4.10.

Uit 4.4 tot en met 4.9 volgt dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat het Uwv tot herziening van de WW-uitkering en de ZW-uitkering van appellante gehouden was. Tegen de terugvordering van de WW-uitkering en de ZW-uitkering heeft appellante geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd. Van dringende redenen op grond waarvan het Uwv van herziening en terugvordering had moeten afzien is ook in hoger beroep niet gebleken.

4.11.

Ook het hoger beroep in de WW-zaak en de ZW-zaak slaagt niet.

5.

De aangevallen uitspraak 1 zal worden bevestigd. De aangevallen uitspraak 2 zal worden bevestigt voor zover deze door appellante in hoger beroep is aangevochten.

6.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak 1 en de aangevallen uitspraak 2 voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange als voorzitter en M. Greebe en
G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) M.P. Ketting

NW