Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2881

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2014
Datum publicatie
02-09-2014
Zaaknummer
12-6771 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit 1: Gedeputeerde staten hebben het verlof verleend omdat zij het niet meer zinvol vonden om - nogmaals - een verbetertraject te laten plaatsvinden, inmiddels besloten hadden de aanstelling van appellant per 14 september 2011 te beëindigen en van oordeel waren dat het geen toegevoegde waarde meer had dat appellant zijn werkzaamheden zou continueren en aldus meer baat had bij faciliteiten om zich per direct te oriënteren op een werkkring buiten de provincie Limburg. De Raad acht dit een deugdelijke en dus in rechte houdbare motivering waaraan hetgeen door appellant is aan gevoerd, niet kan afdoen. Besluit 2: Gedeputeerde staten, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, hebben in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat appellant niet aan de door hen in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan. Het betoog van appellant dat hij wel aan de in redelijkheid gestelde eisen en verwachtingen heeft voldaan, slaagt dan ook niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2014/316

Uitspraak

12/6771 AW, 14/1884 AW

Datum uitspraak: 28 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

14 november 2012, 12/423 en 12/424 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Gedeputeerde Staten van Limburg (gedeputeerde staten)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.J.W.M. Vonken, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Gedeputeerde staten hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vonken. Gedeputeerde staten hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. A. de Visser, advocaat, M.F.R. [X.] en C.J. Schuurman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is per 14 september 2009 aangesteld voor bepaalde tijd op proef voor de duur van een jaar in de functie van senior beleidsmedewerker bij de [afdeling]. Bij besluit van 9 augustus 2010 hebben gedeputeerde staten de tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd op proef verlengd met een jaar tot uiterlijk 14 september 2011, omdat het functioneren van appellant niet voldeed aan de in redelijkheid te stellen eisen. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Bij besluit van 25 juli 2011 hebben gedeputeerde staten appellant buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging tot aan het einde van zijn dienstverband inclusief facilitering van werkplein en outplacement voor maximaal twaalf maanden. Bij besluit van

24 januari 2012 (bestreden besluit 1) hebben gedeputeerde staten het bezwaar tegen het besluit van 25 juli 2011 niet-ontvankelijk verklaard omdat procesbelang ontbreekt.

1.3. Bij besluit van 7 september 2011 hebben gedeputeerde staten appellant meegedeeld dat zijn - verlengde - tijdelijke aanstelling niet wordt omgezet in een aanstelling voor onbepaalde tijd, omdat appellant zijn functioneren onvoldoende in positieve zin heeft ontwikkeld. Naar de mening van gedeputeerden staten voldoet het functioneren, ondanks de ingezette begeleiding, niet aan de daaraan door hen in redelijkheid te stellen eisen. Bij besluit van 24 januari 2012 (bestreden besluit 2) hebben gedeputeerde staten het bezwaar tegen het besluit van

7 september 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1

niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

bestreden besluit 1

4.1.

De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant geen procesbelang had bij een beoordeling van het beroep tegen bestreden besluit 1. De daartoe aangevoerde gronden gaan voorbij aan het gegeven dat appellant een rechterlijk oordeel verlangde over de door gedeputeerde staten uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen het besluit hem ongevraagd buitengewoon verlof te verlenen.

4.2.

Gedupeerde staten hebben appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen het hem ongevraagd verleende buitengewoon verlof omdat appellant naar hun oordeel geen procesbelang had bij zijn bezwaar. Deze beslissing is onjuist omdat de door appellant niet gevraagde verlofverlening een rechtstreekse ingreep was in zijn rechtspositie als (nog niet ontslagen) ambtenaar. Bestreden besluit 1 moet dus worden vernietigd. Ten gronde oordeelt de Raad als volgt.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij niet heeft ingestemd met het buitengewoon verlof om zijn positie op de arbeidsmarkt geen schade toe te brengen. Daarnaast heeft appellant gesteld dat gedeputeerde staten, door het toekennen van buitengewoon verlof, in strijd hebben gehandeld met de toezegging hem actief van werk naar werk te helpen.

4.4.

Ingevolge artikel D.15 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies 2011 kunnen gedeputeerde staten de ambtenaar ook anders dan op aanvraag buitengewoon verlof van korte duur met behoud van bezoldiging verlenen als daartoe naar hun oordeel aanleiding bestaat.

4.5.

Deze aldus geformuleerde bepaling kent aan gedeputeerde staten een discretionaire bevoegdheid toe, waarvan de gebruikmaking door de rechter slechts terughoudend kan worden getoetst. Gedeputeerde staten hebben het verlof verleend omdat zij het na 19 juli 2011 niet meer zinvol vonden om - nogmaals - een verbetertraject te laten plaatsvinden, inmiddels besloten hadden de aanstelling van appellant per 14 september 2011 te beëindigen en van oordeel waren dat het geen toegevoegde waarde meer had dat appellant zijn werkzaamheden zou continueren en aldus meer baat had bij faciliteiten om zich per direct te oriënteren op een werkkring buiten de provincie Limburg. De Raad acht dit een deugdelijke en dus in rechte houdbare motivering waaraan hetgeen door appellant is aan gevoerd, niet kan afdoen.

4.6.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn positie op de arbeidsmarkt als gevolg van het toekennen van buitengewoon verlof schade heeft opgelopen. Voorts blijkt uit de stukken niet van een uitdrukkelijke, ongeclausuleerde toezegging op grond waarvan appellant erop mocht vertrouwen dat hij binnen de organisatie van de Provincie - tijdelijk - zou worden overgeplaatst naar een andere functie. Ter zitting hebben gedeputeerde staten bevestigd dat de in het besluit van 25 juli 2011 gedane toezegging aan appellant outplacement voor maximaal twaalf maanden aan te bieden onverminderd staat. Er is dus geen grond voor het oordeel dat gedeputeerde staten geen gebruik mochten maken van de bevoegdheid om appellant met behoud van bezoldiging buitengewoon verlof te verlenen.

4.7.

Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat het bezwaar ongegrond moet worden verklaard.

bestreden besluit 2

4.8.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 2 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN6920) is de toetsing van een besluit tot niet voortzetten van een tijdelijk dienstverband na afloop van de proeftijd terughoudend. Deze toetsing beperkt zich tot de vraag of het bestuursorgaan in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de betrokken ambtenaar niet aan de door het bestuursorgaan in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan. Niet vereist is dat wordt aangetoond dat de betrokkene ambtenaar schromelijk is tekortgeschoten of anderszins blijk heeft gegeven van ongeschiktheid die het ontslag van een in vaste dienst aangestelde ambtenaar zou kunnen rechtvaardigen.

4.9.

Appellant heeft betoogd dat er discrepantie bestond tussen de tekst van de vacature en de feitelijke invulling van de functie. Hierdoor was het voor hem onduidelijk wat van hem werd verwacht en aan welke eisen hij moest voldoen. Dit betoog slaagt niet. Bij aanvang van zijn werkzaamheden was een inwerkprogramma voor appellant opgesteld. Dit inwerkprogramma is afgesloten met een evaluatiegesprek op 5 oktober 2009. Vanaf, in ieder geval, 10 januari 2010 heeft zijn direct leidinggevende, [X.], (leidinggevende) veelvuldig gesprekken gevoerd met appellant, waarin de - voortgang van de - werkzaamheden van appellant werden besproken alsmede wat van hem werd verwacht. Gemaakte afspraken zijn vastgelegd in gespreksverslagen. Deze verslagen zijn door appellant getekend. Derhalve moet het appellant genoegzaam duidelijk zijn geweest wat van hem werd verwacht in de uitoefening van zijn functie en welke eisen in dat kader aan hem werden gesteld.

4.10.

Tijdens het evaluatiegesprek op 3 maart 2010 heeft de leidinggevende appellant erop gewezen dat hij meer het totaaloverzicht moet bewaken en moet sturen op inhoud en proces. In de beoordeling, opgemaakt naar aanleiding van het beoordelingsgesprek op 26 juli 2010, komt naar voren dat appellant moeite heeft met leiding geven en concrete inhoudelijke opdrachten met deadlines te geven, deze op te dragen en de voortgang te bewaken. Verder heeft appellant moeite met de proactieve, adviserende en strategische rol die van hem wordt verwacht. Deze beoordeling is aanleiding geweest de tijdelijke aanstelling van appellant vanaf 15 september 2010 voor bepaalde tijd bij wijze van proef te verlengen voor de duur van een jaar. Daarnaast is appellant een verbetertraject aangeboden. In dit kader hebben de leidinggevende en appellant afgesproken tweewekelijks werkoverleg te voeren. In het formulier beoordelingsgesprek 2010, door appellant en de leidinggevende getekend op

13 oktober 2010, is de ontwikkeling van competenties als matig beoordeeld. Ter onderbouwing is aangegeven dat van appellant verwacht wordt dat hij een adviserende, stimulerende en enthousiasmerende rol vervult waarbij hij leiderschap uitstraalt. Appellant moet eveneens aandacht besteden aan doelgericht handelen, integraal werken en plannen en organiseren. Uit het verslag van het evaluatiegesprek van 10 december 2010 blijkt dat de leidinggevende nog onvoldoende duurzame verbetering in het functioneren van appellant ziet. Het plannen en organiseren van werkzaamheden blijft een aandachtspunt. De in dit verslag genoemde voorbeelden erkent en herkent appellant. Over de periode van 1 januari 2011 tot

2 maart 2011 heeft een extern coachingstraject plaatsgevonden. Op 14 juni 2011 is, in afwezigheid van appellant en op initiatief van zijn naaste collega’s, met de leidinggevende over het functioneren van appellant gesproken. De naaste collega’s geven aan dat appellant zijn werkzaamheden niet goed organiseert, geen eigen visie ontwikkelt en dat coördinatie van de werkzaamheden ontbreekt. Uit het gespreksverslag eindbeoordeling van 19 juli 2011 blijkt dat het appellant niet is gelukt zijn functioneren te verbeteren en te voldoen aan de door gedeputeerde staten gestelde eisen.

4.11.Gegeven het in 4.8 genoemde toetsingskader en de situatie als beschreven in 4.10 hebben gedeputeerde staten, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat appellant niet aan de door hen in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan. Het betoog van appellant dat hij wel aan de in redelijkheid gestelde eisen en verwachtingen heeft voldaan, slaagt dan ook niet.

4.12.

Appellant heeft verder nog aangevoerd dat, voor zover hij niet aan de gestelde eisen en verwachtingen heeft voldaan, hem dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Hij stelt hiertoe dat er binnen de organisatie een angstcultuur heerste die hem heeft belemmerd in zijn functioneren. Gedeputeerden staten hebben te kennen gegeven zich niet te herkennen in de door appellant beschreven angstcultuur. Hoewel uit de stukken blijkt dat appellant ten overstaan van zijn leidinggevende eerder melding heeft gemaakt van de door hem ervaren angstcultuur, is dit aspect eerst in hoger beroep ten volle door appellant naar voren gebracht. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat de door hem ervaren angstcultuur zodanig omvangrijk en diepgeworteld aanwezig was binnen de organisatie en dat dit een wezenlijke invloed heeft gehad op het functioneren van appellant.

4.13.

Uit 4.8 tot en met 4.12 volgt dat het hoger beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 2 niet slaagt en de aangevallen uitspraak in zoverre moet worden bevestigd.

5.

Er is aanleiding om gedeputeerde staten te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, zijnde in totaal € 1.948,-. Voor vergoeding van de gemaakte kosten in bezwaar bestaat geen aanleiding nu het besluit van 25 juli 2011 niet wordt herroepen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 1

van 24 januari 2012, ongegrond is verklaard;

- verklaart het beroep tegen dit besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

- verklaart het bezwaar tegen het besluit van 25 juli 2011 ongegrond;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- bepaalt dat gedeputeerde staten aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 388,- vergoedt;

- veroordeelt gedeputeerde staten in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.948,-.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en H.C.P. Venema en H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) B. Rikhof

HD