Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2879

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2014
Datum publicatie
02-09-2014
Zaaknummer
12-2275 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter uitvoering van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2013:CA1443) heeft de minister een nadere motivering gegeven. Ter verkrijging van een inventarisatie van de werkzaamheden van appellant heeft de minister onderzoek laten verrichten door het Expertisecentrum Organisatie en Personeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De door appellant uitgevoerde taken maakt niet dat het niveau van de schaal 9 functie wordt overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/2275 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van

7 maart 2012, 10/6345 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Infrastructuur en Milieu (minister)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen een tussenuitspraak gedaan op 23 mei 2013,

nr. 12/2275 AW-T, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1443.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de minister bij brief van 1 augustus 2013 zijn besluit van 7 juni 2010 van een nadere motivering voorzien. Hierop heeft mr. R.C.M. Klatten namens appellant bij brief van 9 oktober 2013 een zienswijze ingediend. Bij brief van

19 november 2013 heeft mr. R.J. van Wely hierop namens de minister gereageerd.

Het geding is opnieuw behandeld op 17 juli 2014, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klatten. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Wely,

F.P.L. Schouwaert en J.A. Remijn-Massa.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de tussenuitspraak van 23 mei 2013. Hieraan voegt de Raad het volgende toe.

2.

Ter verkrijging van een inventarisatie van de werkzaamheden van appellant, zoals in de tussenuitspraak bedoeld, heeft de minister onderzoek laten verrichten door het Expertisecentrum Organisatie en Personeel van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Expertisecentrum). De inschakeling van dat expertisecentrum had, zo heeft de minister toegelicht, ten doel de objectiviteit te waarborgen. Niettemin heeft appellant zijn medewerking aan het onderzoek geweigerd. Dit valt te betreuren, te meer nu in deze zaak sprake is van een peildatum - 1 januari 2008 - uit een alweer wat verder verleden, wat verkrijging van een juist en volledig beeld niet gemakkelijker maakte. Voor zover de weigerachtigheid van appellant ertoe heeft geleid dat in de rapportage van het Expertisecentrum onjuistheden terecht zijn gekomen, valt dit de minister niet aan te rekenen. Appellant heeft wel een schriftelijke reactie op die rapportage gegeven en heeft ook ter zitting van de Raad zijn standpunt nader toegelicht.

3.

De definitieve beschrijvingen van de inspectiefuncties op het niveau van schaal 9 en 10, zoals die zijn opgenomen in het rapport van 1 november 2007, maken duidelijk welke aspecten van de in schaal 10 ingedeelde functie specifiek zijn voor die functie en dus ontbreken in de functie in schaal 9. Het Expertisecentrum heeft gebruik gemaakt van een aanvulling van 14 november 2007 op genoemd rapport, waarin nader is toegelicht welke taken behoren tot de functie in schaal 9. Uitgaande van deze informatie en de resultaten van de door het Expertisecentrum gehouden interviews met de leidinggevenden van appellant ten tijde in geding en thans, is de minister er in geslaagd aannemelijk te maken dat de werkzaamheden van appellant ten tijde van belang nagenoeg uitsluitend behoorden tot de functie in schaal 9. Elementen als beleidsbijdragen, het op basis van analyses ontwikkelen van alternatieven en projectcoördinatie ontbreken. Het uitbrengen van beleidsadviezen, een bredere signaalfunctie, uitstijgend boven het niveau van individuele bedrijven of concrete casussen, en/of het doen van voorstellen voor bijvoorbeeld nieuwe werkwijzen en methoden behoorden niet tot de feitelijk aan appellant opgedragen functie. Appellant voerde bij het doen van inspecties geen overleg op tactisch niveau maar alleen op operationeel niveau. Het projectmatig werken, zoals door appellant aangevoerd, is iets anders dan het leiden van projecten als voorkomend in de schaal 10 functie. Ook zijn vraagbaakfunctie en het tijdelijk verrichten van andere werkzaamheden maakt niet dat het niveau van de schaal 9 functie wordt overschreden.

4.

Appellant heeft op grond van zijn taak als monsternemer een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, nu andere monsternemers wel zijn ingedeeld in de schaal 10 functie. Hij heeft gewezen op zijn opleiding op het gebied van monsterneming en heeft gesteld dat ook hij in het kader van die taak signalen heeft afgegeven, waarmee dan vervolgens niets werd gedaan. Hierop heeft de minister aangevoerd dat appellant zich ten tijde hier in geding uitsluitend bezighield met het uitvoeren van inspecties volgens gedetailleerde instructies. Het ging hier met name om meer eenvoudige onderzoeken via vaste werkwijzen en uitgebreide instructies. Hij was niet betrokken bij meer diepgaande onderzoeken. Dit is door en namens appellant ter zitting van de Raad bevestigd. Ook de leidinggevende van appellant heeft ter zitting van de Raad het niveauverschil nader toegelicht. De schaal 10 functie omvat naast monsterneming onder meer complexe bedrijfsinspecties, het coördineren van inspecties, het uitvoeren van audits, het voorbereiden van het hele kwaliteitsmanagementsysteem voor de afdeling gevaarlijke stoffen, instructies en procesbeschrijvingen maken. De Raad acht het beroep op het gelijkheidsbeginsel van appellant namens de minister voldoende weerlegd.

5.

Gezien het vorenstaande, houdt de inpassing in de inspectiefunctie in schaal 9 in rechte stand.

6.

Hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak, bezien in samenhang met deze uitspraak, leidt tot de volgende uitkomst. Uit de tussenuitspraak volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Nu uit deze uitspraak volgt dat het gebrek in de motivering van het bestreden besluit is hersteld en het bestreden besluit nu berust op een toereikende grondslag, zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

7.

Er is aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant, bestaande uit kosten van rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep. De kosten van rechtsbijstand in beroep worden begroot op € 974,- (beroepschrift en behandeling ter zitting) en in hoger beroep op € 2.922,- (beroepschrift, twee maal zienswijze en drie maal behandeling ter zitting), zijnde in totaal € 3.896,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 7 juni 2010 gegrond en vernietigt dat besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;

- bepaalt dat de minister appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 232,- vergoedt;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 3.896,-.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en H.C.P. Venema en H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) B. Rikhof

HD