Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2878

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2014
Datum publicatie
02-09-2014
Zaaknummer
11-5059 MPW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering militair invaliditeitspensioen. De door de Raad benoemde deskundige heeft geconcludeerd dat bij appellant sprake is van een PTSS. De PTSS wordt door de deskundige rechtstreeks toegeschreven aan de uitzending van appellant naar Srebrenica. Wat betreft het invaliditeitspercentage aansluiting zoeken bij de zogenoemde War Pensions Comittee (WPC)-codes. Met toepassing van de zogenoemde Kuilmancriteria is de mate van invaliditeit bepaald op 30%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/5059 MPW

Datum uitspraak: 28 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

17 augustus 2011, 10/5565 MPW (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant], verblijvende te [plaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Reitsma, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2013. Appellant is, na daartoe te zijn opgeroepen, verschenen met bijstand van mr. H.J.M.G.M. van der Meijden. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.R.C. Adang.

Ter zitting heeft de Raad aanleiding gezien het onderzoek te schorsen. Besloten is

drs. H.S.R. Witte te benoemen als deskundige. De deskundige heeft op 14 maart 2014 rapport uitgebracht. Partijen hebben hierop hun zienswijze gegeven.

Met schriftelijke toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, geboren in 1974, is van 11 januari 1995 tot 30 juli 1995 als militair uitgezonden geweest naar Srebrenica.

1.2. Namens appellant is bij brief van 11 april 2008, ingekomen op 14 april 2008, verzocht om toekenning van een militair invaliditeitspensioen in verband met mogelijke aanwezigheid van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) als gevolg van zijn uitzending naar Srebrenica. Naar aanleiding van dit verzoek is appellant onderworpen aan een Sociaal Medisch Onderzoek, waarvan op 30 maart 2009 door de verzekeringsarts R. Bhaggoe een rapport is uitgebracht.

1.3. Bij besluit van 30 maart 2009 heeft de minister het verzoek van appellant afgewezen op de grond dat met betrekking tot de psychische bezwaren geen ziekte kan worden vastgesteld. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 juli 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

De door de Raad benoemde deskundige Witte heeft geconcludeerd dat bij appellant sprake is van een PTSS. Daarnaast heeft Witte enkele persoonlijkheidstrekken van het

C cluster vastgesteld die niet oorzakelijk zijn aan de geconstateerde symptomatologie maar wel bijdragen aan het langzame verloop. De PTSS wordt door Witte rechtstreeks toegeschreven aan de uitzending van appellant naar Srebrenica.

3.2.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Het door Witte uitgebrachte rapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Ook appellant en de geneeskundig adviseur van de minister, de verzekeringsarts P.G. Verkerk, hebben te kennen gegeven dat zij zich met de onder 3.1 weergegeven conclusies van Witte kunnen verenigen.

3.3.

Wat betreft het invaliditeitspercentage is door de minister wel te kennen gegeven dat Witte op dit punt alleen kan worden gevolgd voor zover hij vergelijkenderwijs aansluiting heeft gezocht bij de zogenoemde War Pensions Comittee (WPC)-codes en met toepassing van de zogenoemde Kuilmancriteria de mate van invaliditeit heeft bepaald op 30%. Deze berekeningsmethode is door de Raad in eerdere rechtspraak (uitspraak van 1 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1559) als niet onjuist beoordeeld. Er is dan ook geen reden om het hanteren van die methode onjuist te achten.

3.4.

Uit hetgeen is overwogen onder 3.1. tot en met 3.3 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit komen voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en aan appellant met ingang van 14 april 2007, zijnde een jaar voor de dag van binnenkomst van de aanvraag, een militair invaliditeitspensioen toekennen op basis van een mate van invaliditeit met dienstverband van 30%.

4.

Er is aanleiding om de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten van appellant tot een bedrag van € 487,- in bezwaar, € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep, alles wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, dus tot een totaalbedrag van € 2.435,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 27 juli 2010 gegrond en vernietigt dit besluit;

- kent, met herroeping van het besluit van 30 maart 2009, aan appellant met ingang van

14 april 2007 een militair invaliditeitspensioen toe op basis van een mate van invaliditeit met

dienstverband van 30%;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 27 juli 2010;

- bepaalt dat de minister aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt;

- veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.435,-.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) P.W.J. Hospel

HD