Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2876

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-08-2014
Datum publicatie
29-08-2014
Zaaknummer
12-3463 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functiebeschrijving. Functiewaardering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3463 AW

Datum uitspraak: 28 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 9 mei 2012, 11/313 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft I.J. de Boer hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met zaak 12/3462 AW plaatsgehad op 17 juli 2014, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M.A. Hoogeveen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.A.W.M. van Gerwen, advocaat, en C.M.A. Henkel. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. Thans wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is werkzaam bij de [belastingdienst], laatstelijk als HRM-adviseur.

1.2. Op 1 januari 2003 heeft een reorganisatie plaatsgevonden bij de Belastingdienst. In verband met deze reorganisatie diende de functie van appellant en drie andere HRM-adviseurs te worden aangepast. In april 2009 is afgesproken dat de HRM-adviseurs hun functie zouden beschrijven zoals deze op 1 januari 2007 werd uitgevoerd en dat deze beschrijving de basis zou vormen voor de weging en inpassing van de functies. In een bijeenkomst op

9 december 2009 is afgesproken als peildatum 1 januari 2005 aan te houden.

1.3. Omdat de HRM-adviseurs over de inhoud van de functiebeschrijving geen overeenstemming konden bereiken met S, destijds voorzitter van het managementteam, heeft de staatssecretaris op 26 oktober 2009 het voornemen geuit de opgedragen taken vast te stellen op basis van een bij het voornemen gevoegde functiebeschrijving. Bij zijn zienswijze van 15 november 2009 over dit voornemen heeft appellant een door hem opgestelde functiebeschrijving gevoegd.

1.4. Bij besluit van 10 maart 2010 (besluit 1) heeft de staatssecretaris de bij het voornemen gevoegde functiebeschrijving vastgesteld als organieke functie die beschouwd wordt een weergave te geven van de werkzaamheden zoals deze vanaf 1 januari 2005 zijn uitgevoerd. Bij besluit van 15 april 2010 (besluit 2) heeft de staatssecretaris de functie gewaardeerd en ingedeeld in hoofdgroep IV, niveaugroep 10. Bij besluit van 4 mei 2010 (besluit 3) heeft de staatssecretaris meegedeeld dat uit een vergelijking van de feitelijk opgedragen werkzaamheden per 1 januari 2005 en per 1 januari 2010 is gebleken dat er verschillen zijn, maar dat geen sprake is van een substantiële verzwaring van het takenpakket, zodat er geen aanleiding bestaat een nieuw wegingstraject op de werkzaamheden uit te voeren.

1.5. De staatssecretaris heeft voor ieder van de vier HRM-adviseurs op basis van de door hen per 1 januari 2005 uitgevoerde werkzaamheden een functie vastgesteld, die door de staatssecretaris als organiek is aangeduid.

1.6. Bij besluit van 21 februari 2011 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de staatssecretaris zich ten aanzien van besluit 1 op het standpunt gesteld dat de werkzaamheden die appellant in de door hem opgestelde beschrijving van de functie in zijn zienswijze van

15 november 2009 heeft opgenomen, in hun geheel voorkomen in de omschrijving van de bij dat besluit vastgestelde functie.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat geen gronden zijn ingediend tegen de bij het bestreden besluit gehandhaafde waardering van de functie.

3.

In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden. De staatssecretaris heeft zich achter de aangevallen uitspraak gesteld.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft betoogd dat bij besluit 1 zijn functie is vastgesteld per 1 januari 2010 en niet per 1 januari 2005. Dit betoog faalt. Uit de tekst van besluit 1 en met name uit het bestreden besluit blijkt dat de staatssecretaris de functie heeft vastgesteld per 1 januari 2005.

4.2.

Zoals ter zitting is gebleken, betreft het geschil tussen partijen in de kern de vraag of de staatssecretaris bij de vaststelling van de functie van appellant per 1 januari 2005 is uitgegaan van de feitelijk door appellant uitgevoerde werkzaamheden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellant te kennen heeft gegeven dat zijn werkzaamheden in de periode 2005 tot 2010 niet wezenlijk zijn veranderd.

4.3.

Partijen zijn overeengekomen dat de door de staatssecretaris als organiek aangeduide functiebeschrijving zou worden gebaseerd op de door appellant per 1 januari 2005 uitgevoerde werkzaamheden. Indien een functiebeschrijving berust op de feitelijk uitgevoerde of opgedragen werkzaamheden, moet de rechter de juistheid van de functiebeschrijving volledig toetsen. Anders dan appellant stelt, blijkt uit de aangevallen uitspraak niet dat de rechtbank dit heeft miskend.

4.4.

In het bestreden besluit heeft de staatssecretaris puntsgewijs gemotiveerd dat en op welke wijze de werkzaamheden die appellant in zijn beschrijving van de functie in zijn zienswijze van 15 november 2009 heeft opgenomen, in de bij besluit 1 vastgestelde functiebeschrijving zijn terug te vinden. Appellant heeft met de door hem bij brief van 8 februari 2010 verstrekte stukken noch met de in beroep en hoger beroep overgelegde stukken, aannemelijk gemaakt dat hij beleidsadvieswerk heeft verricht dat ten onrechte niet in de functiebeschrijving is opgenomen. Uit de door appellant opgestelde beschrijving van de functie in zijn zienswijze van 15 november 2009 en de door hem ter onderbouwing overgelegde stukken blijkt niet dat appellant (beleids)werkzaamheden heeft verricht die niet zijn te brengen onder de uitwerking van hoofdbestanddeel 2, het uitvoeren van ondersteunende en advieswerkzaamheden behorende bij het HRM-specialisme, en het onder hoofdbestanddeel 3 opgenomen adviseren, coördineren en ondersteunen van het management bij de implementatie van (nieuwe) ontwikkelingen in de specialistische taken in de regio. Met de staatssecretaris is de Raad van oordeel dat wat appellant als beleidsontwikkeling ziet, moet worden aangemerkt als werkzaamheden die verband houden met de uitvoering van vastgesteld beleid en het leveren van inbreng voor nieuw beleid. Dit geldt ook voor de werkzaamheden van appellant met betrekking tot de opleiding van belastingmedewerkers bij het ROC die appellant ter zitting als voorbeeld van beleidsontwikkeling heeft aangehaald. De Raad is met de staatssecretaris van oordeel dat uit de overgelegde notities en de daarop door appellant ter zitting gegeven toelichting blijkt dat bij deze werkzaamheden sprake is van ondersteuning van het management bij de invoering van een nieuwe ontwikkeling. Dat appellant bij zijn werkzaamheden zelfstandig overleg heeft gevoerd met contacten buiten de dienst heeft de staatssecretaris niet in de functiebeschrijving hoeven opnemen. Uit de bij besluit 2 gevoegde waardering van de functie van appellant blijkt namelijk dat de contacten in en buiten de dienst in aanmerking zijn genomen. Deze onderbouwing van de functiewaardering heeft appellant niet bestreden. Ten slotte is niet van belang of de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat beleid op centraal niveau en niet in de regio wordt ontwikkeld. Doorslaggevend is immers niet of in de regio beleidsontwikkeling plaatsvindt, maar of dit tot het takenpakket van appellant behoorde. De conclusie is dat dit niet is komen vast te staan.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en C.H. Bangma en

W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2014.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) S.W. Munneke

HD