Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2860

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2014
Datum publicatie
28-08-2014
Zaaknummer
13-3261 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking nabestaandenuitkering. Niet arbeidsongeschikt in de zin van de ANW. Geen grond voor twijfel aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv in acht genomen medische beperkingen van appellante, zoals neergelegd in de FML.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3261 ANW

Datum uitspraak: 22 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 april 2013, 12/821 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nader stuk ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2014. Appellante is samen met haar maatschappelijk werkster, [naam maatschappelijk werkster], verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is geboren [in] 1953. Zij heeft bij de Svb een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd wegens het overlijden van haar echtgenoot [in] 2010. Zij heeft daarbij aangegeven arbeidsongeschikt te zijn.

1.2. Op verzoek van de Svb is advies uitgebracht door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Bij besluit van 20 juni 2011 heeft de Svb appellante een nabestaandenuitkering geweigerd omdat zij niet aan de voorwaarden voor toekenning voldoet.

1.3. Nadat opnieuw advies was uitgebracht door het Uwv, heeft de Svb bij beslissing op bezwaar van 11 januari 2012 het bezwaar tegen het besluit van 20 juni 2011 ongegrond verklaard.

2.1. Gedurende de behandeling van het tegen het besluit van 11 januari 2012 gerichte beroep heeft de Svb bij besluit van 10 oktober 2012 (bestreden besluit) het bezwaar alsnog gedeeltelijk gegrond verklaard, de besluiten van 20 juni 2011 en 11 januari 2012 ingetrokken, appellante een nabestaandenuitkering toegekend over de periode van 1 april 2010 tot en met 30 september 2012 en haar meegedeeld dat zij na 30 september 2012 geen recht meer heeft op deze uitkering. Aan het bestreden besluit liggen ten grondslag de op verzoek van de Svb door de bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv opgemaakte rapporten van 5 en 12 september 2012.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van

11 januari 2012 niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. De rechtbank heeft het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond verklaard. Zij heeft daarbij overwogen dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de door de bezwaarverzekeringsarts in zijn in 2.1 vermelde rapport vastgestelde belastbaarheid. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige toereikend heeft toegelicht dat de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.

3.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij vanwege haar psychische klachten niet in staat is arbeid te verrichten. Zij heeft de Raad verzocht een medisch onderzoek door een deskundige te gelasten. Verder heeft zij aangevoerd dat onduidelijk is waarom zij tot

30 september 2012 wel recht had op een uitkering, maar nadien niet meer, terwijl haar klachten ongewijzigd zijn gebleven.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geding is uitsluitend de vraag of appellante ook na 30 september 2012 arbeidsongeschikt is in de zin van de ANW.

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit er geen grond voor twijfel is aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv in acht genomen medische beperkingen van appellante, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 september 2012. De overwegingen van de rechtbank ter zake kunnen volledig worden gevolgd. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 5 september 2012 toegelicht dat bij appellante in de periode vanaf 1 april 2010 tot september 2012 vanwege de eerder niet onderkende en niet gereguleerde diabetes mellitus sprake is geweest van sterk wisselende arbeidsmogelijkheden. Daarna is de diabetes mellitus goed gereguleerd en zijn de vermoeidheidsklachten sinds het instellen op medicatie en gewichtsreductie aanzienlijk verminderd. Appellante is dan ook geschikt geacht arbeid te verrichten. De bezwaarverzekeringsarts heeft in dat verband, onder meer rekening houdend met de door de GZ-psycholoog bij brief van 18 november 2011 vastgestelde voorlopige diagnoses (depressieve stoornis en borderline persoonlijkheidstrekken), beperkingen aangenomen met betrekking tot het persoonlijk en sociaal functioneren van appellante. Appellante heeft in hoger beroep geen objectieve medische gegevens overgelegd die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de bij voornoemde FML vastgestelde functionele mogelijkheden. In het voorgaande ligt besloten dat er geen aanleiding wordt gezien een deskundige te benoemen.

4.3.

Ervan uitgaande dat de beperkingen van appellante niet zijn onderschat, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de in beroep geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn voor haar.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover aangevochten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en E.E.V. Lenos en

C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2014.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) H.J. Dekker

RK