Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2852

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2014
Datum publicatie
28-08-2014
Zaaknummer
12-1426 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het bezwaar van 4 februari 2011 tegen het besluit van 17 januari 2011 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De brief van 17 januari 2011 houdt geen herhaling in van het besluit van 10 maart 2010, maar een - eerste - besluit waarbij is beslist op het verzoek van appellant van 5 oktober 2009 en verder is het oordeel neergelegd dat ook geen sprake is van een beroepsziekte of een beroepsincident. Terug wijzing naar de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2014/1593
ABKort 2014/313
TAR 2014/185

Uitspraak

12/1426 AW

Datum uitspraak: 21 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

25 januari 2012, 11/5263 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geding de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Haaglanden (korpsbeheerder), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven het onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als wijkagent bij de politieregio Haaglanden.

1.2. Op 5 oktober 2009 heeft appellant zich ziek gemeld en verzocht zijn ziekte aan te merken als het gevolg van een hem overkomen dienstongeval.

1.3. Bij brief van 10 maart 2010 heeft de adjunct-directeur HRM namens de korpschef appellant meegedeeld dat zijn bezoldiging met ingang van 6 april 2010 wordt gekort met 10%, met ingang van 5 oktober 2010 met 20% en met ingang van 5 april 2011 met 30%. Daaraan ligt ten grondslag dat geen van de redenen om na 26 weken de bezoldiging volledig door te betalen, waaronder de omstandigheid dat de ziekte waardoor appellant ongeschikt is zijn arbeid te verrichten niet is veroorzaakt door een dienstongeval, van toepassing is. In deze brief is vermeld dat bezwaar kan worden gemaakt.

1.4. Bij e-mailbericht van 22 maart 2010 aan zijn direct leidinggevende heeft appellant verzocht om een inhoudelijke reactie op (de onderbouwing van) zijn standpunt dat sprake is van een dienstongeval. Dit bericht bevat de volgende zin: “Ik zal zo morgen of overmorgen toch bezwaar moeten gaan maken op het besluit dat HRM nam.”.

1.5. Bij e-mailbericht van 23 maart 2010 heeft de direct leidinggevende aan appellant het volgende laten weten: “Even voor de duidelijkheid: er is nog geen besluit genomen. HRM heeft het voornemen uitgesproken om je conform de regels te korten. Jij zit ziek thuis en na 26 weken word je gekort op je salaris (…). Ik ben op dit moment in gesprek met de bedrijfsarts om de mogelijkheden te bezien. (…) Om alle mogelijkheden in ogenschouw te nemen ben jij ook onderwerp van gesprek in het MT. (…) Je hoort van mij.”.

1.6. Bij brief van 26 september 2010 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de brief van

10 maart 2010. Daarbij is appellant er kennelijk van uitgegaan dat deze brief (ook) een beslissing op zijn verzoek van 5 oktober 2009 inhoudt.

1.7. Bij brief van 17 januari 2011 heeft de korpschef het verzoek van appellant van 5 oktober 2009 afgewezen en daarbij onderbouwd waarom in het geval van appellant geen sprake is van een dienstongeval, een beroepsziekte of een beroepsincident.

1.8. Bij brief van 4 februari 2011 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de brief van

17 januari 2011.

1.9. Bij besluit van 13 mei 2011 (bestreden besluit) heeft de korpschef de bezwaren tegen de brieven van 10 maart 2010 en 17 januari 2011 ontvankelijk geacht en ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, de bezwaren tegen de brieven van 10 maart 2010 en 17 januari 2011 - alsnog - niet-ontvankelijk verklaard, bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en bepaald dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed. De rechtbank heeft ten eerste geoordeeld dat de brief van 10 maart 2010 een besluit is waarbij is beslist op het verzoek van appellant van

5 oktober 2009 en dat het bezwaarschrift tegen deze brief onverschoonbaar te laat is ingediend. Ten tweede heeft zij geoordeeld dat de brief van 17 januari 2011 een herhaling inhoudt van het besluit van 10 maart 2010 en daarom geen besluit is.

3.

De Raad komt, ambtshalve, tot de volgende beoordeling.

3.1.

De brief van 10 maart 2010 is onmiskenbaar gericht op het rechtsgevolg dat de bezoldiging van appellant met ingang van 6 april 2010 wordt gekort. Dat daaraan mede ten grondslag is gelegd dat geen sprake is van een dienstongeval, betekent echter niet dat de brief van 10 maart 2010 (ook) inhoudt een beslissing op het verzoek van appellant van 5 oktober 2009. De rechtbank heeft daarom terecht, maar op een onjuiste grond, geoordeeld dat de brief van 10 maart 2010 een besluit is.

3.2.

Vaststaat dat het bezwaarschrift tegen het besluit van 10 maart 2010 te laat is ingediend. Ook al zou appellant - zoals hij heeft verklaard - naar aanleiding van het e-mailbericht van de direct leiddinggevende van 23 maart 2010 in de veronderstelling hebben verkeerd dat de brief van 10 maart 2010 geen besluit inhield, dan nog had hem uit de salarisspecificaties vanaf april 2010 duidelijk had kunnen en moeten zijn dat - wel - sprake was van een besluit. De rechtbank heeft daarom terecht het bezwaar van 26 september 2010 tegen het besluit van

10 maart 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

3.3.

Uit 3.1 volgt dat de brief van 17 januari 2011 geen herhaling inhoudt van het besluit van 10 maart 2010, maar een - eerste - besluit waarbij is beslist op het verzoek van appellant van

5 oktober 2009 en verder het oordeel is neergelegd dat ook geen sprake is van een beroepsziekte of een beroepsincident. De rechtbank heeft daarom het bezwaar van 4 februari 2011 tegen het besluit van 17 januari 2011 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

3.4.

De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover daarbij het bestreden besluit geheel is vernietigd, het bezwaar van 4 februari 2011 niet-ontvankelijk is verklaard en is bepaald dat de uitspraak geheel in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

3.5.

Op het beroep tegen het bestreden besluit voor zover het betrekking heeft op het bezwaar van 4 februari 2011 moet - alsnog - inhoudelijk worden beslist. Mede omdat appellant in hoger beroep ook gronden heeft aangevoerd gericht tegen de wijze waarop de rechtbank de zaak heeft behandeld, ziet de Raad in dit geval aanleiding om de zaak in zoverre terug te wijzen naar de rechtbank.

3.6.

Voor de goede orde merkt de Raad op dat, mocht - uiteindelijk - worden geoordeeld dat sprake is van een dienstongeval, een beroepsziekte of een beroepsincident, het in de rede ligt dat de korting van de bezoldiging van appellant ongedaan wordt gemaakt.

3.7.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het besluit van 13 mei 2011 geheel is

vernietigd, het bezwaar van 4 februari 2011 niet-ontvankelijk is verklaard en is bepaald dat

de uitspraak geheel in de plaatst treedt van het vernietigde besluit;

- wijst de zaak terug naar de rechtbank om te beslissen op het beroep tegen het besluit van

13 mei 2011 voor zover het betrekking heeft op het bezwaar van 4 februari 2011;

- bepaalt dat de korpschef aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt tot

een bedrag van € 232,-.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en H.C.P. Venema als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2014.

(getekend) T.G.M. Simons

(getekend) T.A. Meijering

HD