Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2851

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
28-08-2014
Zaaknummer
12-6584 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Toereikende medische grondslag. Zorgvuldig onderzoek. De geschiktheid van de functies is in voldoende mate aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6584 WIA

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

2 november 2012, 12/1140 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.S.F. ten Feld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A. Kalatozova, advocaat en kantoorgenoot van mr. Ten Feld. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als secretaresse. Nadat het dienstverband was beƫindigd, is haar een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet toegekend. Vanuit deze situatie heeft zij zich op 31 augustus 2009 ziek gemeld vanwege klachten van pijn in het gehele bewegingsapparaat. In verband met volbrengen van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellante is onderzocht door een verzekeringsarts die in zijn rapport van 10 juni 2011 heeft vastgesteld dat zij, als gevolg van haar fysieke klachten, beperkingen heeft. Deze beperkingen heeft hij weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 10 juni 2011. Vervolgens is een arbeidsdeskundige in haar rapport van 26 juli 2011 tot de conclusie gekomen dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen werk, maar nog wel geschikt is voor een viertal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft zij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op minder dan 35%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv, bij besluit van 26 juli 2011, vastgesteld dat appellante met ingang van 29 augustus 2011 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.2. In bezwaar heeft appellante gesteld dat zij meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Zij heeft er onder meer op gewezen dat zij als gevolg van haar pijnklachten concentratieproblemen heeft.

1.3. In overeenstemming met de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 20 oktober 2011 en de bezwaararbeidsdeskundige van 25 oktober 2011 heeft het Uwv, bij besluit van

2 november 2011 (bestreden besluit), het bezwaar van appellante tegen het besluit van

29 augustus 2011 ongegrond verklaard.

2.1. In beroep heeft appellante gesteld dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig is geweest. De bezwaarverzekeringsarts heeft haar niet lichamelijk onderzocht. Voorts heeft zij herhaald dat zij meer beperkingen heeft. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft zij informatie van de huisarts en van prof. dr. M.A.F.J. van de Laar, als reumatoloog verbonden aan het Medisch Spectrum Twente (MST), overgelegd. Voorts heeft zij gesteld dat de geselecteerde functies niet geschikt voor haar zijn.

2.2. In rapporten van 5 maart 2012 en 7 maart 2012 hebben de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige gereageerd op de gronden van appellante.

3.

De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de medische grondslag van het bestreden besluit. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts zijn rapport van 20 oktober 2011 heeft gebaseerd op informatie verkregen tijdens de hoorzitting, dossieronderzoek en informatie uit de behandelende sector. Daarnaast heeft hij aanvullend gerapporteerd naar aanleiding van de door appellante in beroep overgelegde medische informatie. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de voor appellante vastgestelde beperkingen. Daarbij is in overweging genomen dat beperkingen zijn aangenomen als gevolg van artrose en fibromyalgie en dat niet is gebleken dat deze beperkingen zijn onderschat. Met het standpunt van het Uwv dat er geen sprake is van cognitieve stoornissen en dat er geen aanleiding is om beperkingen aan te nemen als gevolg van concentratieproblemen heeft de rechtbank zich eveneens kunnen verenigen. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat de geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies in voldoende mate is aangetoond. De rechtbank heeft het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep dan ook ongegrond verklaard.

4.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij meer beperkingen heeft. Zij is onder andere van mening dat onvoldoende gewicht is toegekend aan de informatie van het MST. Daarnaast heeft zij in hoger beroep nog een verslag van een neuropsychologisch onderzoek van 2 juli 2013 ingebracht. Tevens heeft zij herhaald dat de geselecteerde functies niet geschikt voor haar zijn.

4.2.

Het Uwv heeft in hoger beroep een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van

8 augustus 2013 overgelegd.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit op een toereikende medische grondslag berust kan niet voor onjuist worden gehouden. Ook de Raad is van oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsartsen een zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de medische situatie van appellante en dat de voor haar vastgestelde beperkingen niet zijn onderschat. Voor de door appellante in beroep ingebrachte informatie van het MST en het in hoger beroep ingebrachte verslag van het neuropsychologisch onderzoek wordt verwezen naar de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van onderscheidenlijk 5 maart 2012 en 8 augustus 2013. Daarin heeft deze arts gemotiveerd uiteengezet dat deze informatie geen aanleiding vormt om meer beperkingen voor appellante aan te nemen en deze uiteenzetting kan niet voor onjuist worden gehouden.

5.2.

Het oordeel van de rechtbank dat de geschiktheid van de functies in voldoende mate is aangetoond wordt eveneens onderschreven. Daarvoor wordt verwezen naar de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige van 25 oktober 2011 en 7 maart 2012, waarin de signaleringen over de belastende factoren in de functies voldoende inzichtelijk en overtuigend zijn toegelicht.

5.3.

Gelet op de overwegingen in 5.1 en 5.2 wordt geoordeeld dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.

Voor een proceskostenveroordeling wordt geen aanleiding gezien.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014.

(getekend) D.J. van der Vos

(getekend) J.C. Hoogendoorn

HD