Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2846

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-08-2014
Datum publicatie
28-08-2014
Zaaknummer
12-3276 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WAO-uitkering. Boete. Schending inlichtingenverplichting door detentie niet (tijdig) te melden. Verwijtbaarheid. De opgelegde boete is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid, de draagkracht en de overige ten aanzien van betrokkene gebleken omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3276 WAO

Datum uitspraak: 27 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
24 april 2012, 12/46 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij. Betrokkene is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft betrokkene in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Betrokkene is op 3 augustus 2010 in verzekering gesteld; na strafoplegging is hij gedetineerd in een Inrichting voor Stelselmatige Daders (ISD). Appellant heeft een detentieverklaring van betrokkene ontvangen, diens WAO-uitkering ingetrokken met ingang van 3 september 2010 en een bedrag van € 8.891,31 wegens onverschuldigd betaalde uitkering van betrokkene teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 15 augustus 2011 heeft appellant betrokkene een boete opgelegd van
€ 890,-. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Betrokkene heeft aangevoerd dat hij in de veronderstelling verkeerde dat FIBU (onderdeel van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam) appellant er tijdig over had geïnformeerd dat hij gedetineerd was en dat het, gezien zijn psychische aandoening, niet aan hem te wijten is dat niet is voldaan aan de informatieplicht. Tijdens de hoorzitting heeft betrokkene verklaard dat hij in augustus 2010 aan een medewerker maatschappelijke dienstverlening van de ISD een brief heeft afgegeven voor appellant. Aan het door hem niet informeren ligt geen medische oorzaak ten grondslag, maar een kennelijk onjuiste doorzending van zijn brief. Appellant heeft daarop informatie ingewonnen bij de ISD. Een trajectbegeleider van de ISD heeft op de vraag van appellant als volgt gereageerd:

“Uit onderzoek is gebleken dat er wel contact is geweest tussen betrokkene en de MMD in het Huis van Bewaring “De Weg” binnen de Penitentiaire Inrichtingen Overamstel bij het begin van zijn detentie. Uit dit contact is naar voren gekomen dat aan betrokkene is voorgehouden, zelf een brief te schrijven naar uw instelling, mede uit hoofde van het feit dat betrokkene in persoon verantwoordelijk is voor het schorsen van de uitkering. Binnen de Penitentiaire Inrichtingen, verloopt de procedure briefwisseling van binnen naar buiten de inrichting of visa versa, via het Bureau Selectie & Detentiebegeleiding (BSD), waarbij de briefwisseling alleen gecontroleerd wordt op contrabande. Er vindt geen registratie plaats van inkomende en uitgaande post van gedetineerden. Dientengevolge kan ik uw vraagstelling niet beantwoorden.”

1.4. Bij besluit van 21 december 2011 (bestreden besluit) heeft appellant, voor zover van belang, het bezwaar tegen het besluit van 15 augustus 2011 ongegrond verklaard en de boete gehandhaafd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 15 augustus 2011 herroepen. Volgens de rechtbank is aannemelijk dat betrokkene heeft getracht appellant van zijn detentie op de hoogte te brengen. Er is geen sprake van verwijtbaarheid aan de kant van betrokkene.

3.

Appellant heeft zich als volgt tegen dit oordeel van de rechtbank gekeerd:


“In eerste instantie is namens gedaagde in bezwaar gesteld dat er een medische oorzaak was voor het niet voldoen aan de informatieplicht. Ter hoorzitting is dit standpunt verlaten en is gesteld dat wel degelijk sprake zou zijn geweest van het in augustus 2010 informeren door gedaagde van het UWV ter zake van zijn detentie vanaf 8 augustus 2010.

Tot op heden is deze brief niet ontvangen bij het UWV. Wij gaan er dan ook vanuit dat een dergelijke brief niet is verzonden aan ons.

Zoals de rechtbank in r.o. 3.3 terecht opmerkt, geldt dat bij het niet ontvangen van een brief door geadresseerde (i.c. UWV), het op de weg van de verzender (i.c. gedaagde) ligt om de verzending aannemelijk te maken.

Naar ons oordeel heeft gedaagde in het geheel niet aannemelijk gemaakt dat hij begin augustus 2010 een brief aan ons gezonden heeft, waarin hij ons geïnformeerd heeft over zijn detentie vanaf 8 augustus 2010.

Gedaagde heeft geen kopie van de betreffende brief overgelegd. Naar onze mening had gedaagde hiermee - op andere wijze - aannemelijk kunnen maken dat hij heeft getracht ons schriftelijk op de hoogte te brengen van zijn detentie.

De mogelijkheid van een kopie maken is naar onze mening wel mogelijk, gelet op de brief van gedaagde van 24 mei 2011, waarbij een kopie is gevoegd van het paspoort alsmede van de detentieverklaring van 27 april 2011. Deze brief van gedaagde van 24 mei 2011 is bij ons ontvangen op 8 juni 2011.

Met een dergelijke kopie had gedaagde bovendien ook de juiste dan wel onjuiste adressering van zijn vermeende brief kunnen ophelderen. Gedaagde heeft ter hoorzitting namelijk het vermoeden geuit dat de betreffende brief aan DWI gezonden is. Wij gaan er van uit dat hiermee bedoeld is: DWI Fibu. Dit betreft een dienst, die niet onder het UWV valt, zodat gedaagde in dat geval een onjuiste adressering gehanteerd heeft. Het hierdoor mogelijkerwijs niet ontvangen van een dergelijke brief dient voor rekening en risico van gedaagde te blijven, als verzender van deze brief.

Voor wat betreft de verklaring van dhr. [X.], trajectbegeleider, van 22 december 2011 betreft, merken wij het volgende op.

Zoals de rechtbank stelt in r.o. 3.4 wordt in deze brief slechts de gang van zaken rond de postverzending in zijn algemeenheid bevestigd. Uit deze brief is niet op te maken aan wie de vermeende brief van gedaagde van begin augustus 2010 door gedaagde is afgegeven en hoe of waarom die persoon vervolgens deze postverzending niet uitgevoerd heeft.

Er is door gedaagde geen specifiek persoon genoemd aan wie hij zijn brief heeft afgegeven. Ook is geen specifieke datum van verzending of afgifte van de desbetreffende brief aan die persoon vermeld.

De heer [X.] heeft in zijn verklaring desgevraagd geantwoord dat hij de vraag of hij in de maand augustus 2010 een brief, bestemd voor het UWV, van gedaagde is ontvangen, niet kan beantwoorden.

In zijn verklaring is ter zake van de specifieke situatie van gedaagde door dhr. [X.] slechts bevestigd dat er wel contact is geweest tussen gedaagde en de MMD (Medewerker Maatschappelijke Dienstverlening) van de Penitentiaire Inrichting (PI) Amsterdam.

Aangegeven is dat hieruit blijkt dat aan gedaagde is voorgehouden om zelf een brief naar ons te schrijven, waarbij hij is gewezen op zijn eigen verantwoordelijkheid voor het schorsen van de uitkering.

Uit deze informatie wordt, anders dan door de rechtbank is aangenomen, uitsluitend in algemene zin de gang van zaken rond de postverzending bevestigd, maar geenszins wordt voor wat betreft het specifieke geval van gedaagde, aannemelijk gemaakt dat er feitelijk een brief aan ons is geschreven begin augustus 2010, waarmee wij zouden zijn ingelicht over de detentie van gedaagde.

De omstandigheid dat gedaagde tijdens zijn detentie niet heeft kunnen vaststellen dat zijn uitkering tot februari 2011 is doorbetaald wegens het beheer hiervan door FIBU, ontslaat gedaagde op geen enkele wijze van zijn informatieplicht en doet niet af aan zijn verwijtbaarheid met betrekking tot zijn meldingsplicht.

Wij zijn van mening dat zowel in objectieve als in subjectieve zin gedaagde verwijtbaar de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 80 van de Wet op de arbeidsongeschiktheids- verzekering (wao) heeft geschonden. Wij achten, gelet op het voorgaande, ook geen reden aanwezig om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen.

Door gedaagde is niet bestreden dat hij gehouden is om ons te informeren over zijn detentie. Ook is op geen enkele wijze door gedaagde aannemelijk gemaakt dat er daadwerkelijk door hem een brief is opgesteld begin augustus 2010, waarmee hij ons wilde inlichten over zijn detentie.

In eerste instantie is dit zelfs door gedaagde ontkend op medische gronden. Naar onze mening heeft gedaagde het verzenden van een dergelijke brief, ook rekening houdend met de omstandigheden van zijn detentie, niet concreet gemaakt, maar ook niet aannemelijk gemaakt.

Naar onze mening is dan ook op juiste wijze de boete van € 890,- opgelegd.”

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar onderdeel 2 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Op grond van de verklaring van de trajectbegeleider van de ISD en de overige beschikbare gegevens kan niet als vaststaand worden aangenomen dat betrokkene in augustus 2010 getracht heeft appellant in kennis te stellen van zijn detentie. De enkele, niet geconcretiseerde stelling van betrokkene dat hij aan een niet nader genoemde medewerker van de ISD een brief heeft meegegeven, is onvoldoende. Betrokkene heeft appellant over zijn detentie geïnformeerd door toezending van een brief van 24 mei 2011 met een kopie van een detentieverklaring, die pas op 8 juni 2011 is ontvangen. Betrokkene heeft hierdoor de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Er is geen grond om te oordelen dat betrokkene van het appellant niet onverwijld in kennis stellen van zijn detentie geen verwijt kan worden gemaakt. Het in 3 weergegeven betoog van appellant wordt onderschreven. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld was appellant daarom gehouden betrokkene een boete op te leggen.

4.3.

Appellant heeft ter zitting de Raad desgevraagd nader geïnformeerd over het inkomen van betrokkene sedert zijn invrijheidstelling in april 2012. De opgelegde boete van € 890,- is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid, de draagkracht en de overige ten aanzien van betrokkene gebleken omstandigheden.

4.4.

Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond worden verklaard.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en
M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) E. Heemsbergen

IvZ