Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2844

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2014
Datum publicatie
28-08-2014
Zaaknummer
13-3230 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Autotransacties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3230 WWB

Datum uitspraak: 26 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 maart 2013, 12/11181 (aangevallen tussenuitspraak) en tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2013, 12/11181 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) te [woonplaats 1] en [appellante](appellante) te [woonplaats 2]

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. A. Bozbey, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft het college schriftelijk een nadere toelichting gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2014. Namens appellanten is

mr. Bozbey verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten hebben bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen. Naar aanleiding van een IB-signaal heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Den Haag een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de genoemde afdeling onder meer dossieronderzoek gedaan, gegevens bij de Dienst Wegverkeer (RDW) opgevraagd en appellanten gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 juli 2012.

1.2.

De resultaten van dit onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 6 juli 2012 (besluit 1) de bijstand van appellanten te herzien (lees: in te trekken) over de maanden mei, juni en september 2010 en januari, maart, juni en november 2011 en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 8.647,17 van appellanten terug te vorderen. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat in deze maanden sprake is geweest van handelstransacties met auto’s. Meerdere auto’s stonden korte tijd op naam van appellante. Appellanten hebben geen aankoop- en verkoopnota’s aangeleverd, waardoor het recht op bijstand gedurende de genoemde maanden niet te bepalen is. Bij een tweede besluit van eveneens 6 juli 2012 (besluit 2) heeft het college de bijstand van appellanten om dezelfde reden herzien (ingetrokken) over de periode van 9 januari 2012 tot en met 29 februari 2012 en de over deze periode teveel betaalde bijstand tot een bedrag van € 2.327,96 van appellanten teruggevorderd. Bij besluit van 12 juli 2012 heeft het college appellanten meegedeeld dat het ingevolge besluit 1 terug te vorderen bedrag na brutering € 10.288,39 bedraagt.

1.3.

Bij besluit van 26 november 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard, met dien verstande dat appellant in de maanden maart en juni 2011 geen subject van bijstand was, zodat de terugvordering over die maanden geen betrekking op hem heeft.

2.

Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat appellanten zich in de maanden mei, juni en september 2010, januari, maart, juni en november 2011 en januari en februari 2012 hebben beziggehouden met activiteiten die samenhangen met de handel in auto’s. Doordat appellanten geen melding hebben gemaakt van de autotransacties en aldus de op hen rustende inlichtingenverplichting niet naar behoren zijn nagekomen in de maanden waarin een transactie heeft plaatsgevonden, kan het recht op bijstand in die periode niet worden vastgesteld. Appellanten zijn er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat recht op (aanvullende) bijstand bestond in het geval zij wel aan de inlichtingenverplichting zouden hebben voldaan. De rechtbank heeft overwogen dat appellanten niet de gehele periode van mei 2010 tot en met februari 2012 samenwoonden en dat appellante een deel van deze periode bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder ontving. Het college heeft daarom in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom desondanks bij besluit 1 van appellant hetzelfde bedrag is teruggevorderd als van appellante. De rechtbank heeft het college de opdracht gegeven dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

2.1.

Bij besluit van 29 maart 2013 heeft het college het bestreden besluit herzien wat betreft de maanden maart en juni 2011. Het college heeft te kennen gegeven dat er in deze periode geen gezamenlijke huishouding was en appellante bijstand ontving naar de norm voor een alleenstaande ouder. De intrekking en terugvordering van de bijstand over deze periode ziet dan ook alleen op appellante. Na herberekening bedraagt het van appellanten samen terug te vorderen bedrag € 7.425,35 bruto. Van appellante wordt daarenboven nog een bedrag van

€ 2.863,04 teruggevorderd.

3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten.

4.

Appellanten hebben zich in hoger beroep zowel tegen de aangevallen tussenuitspraak als tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden. Het college heeft voorts de periode waarover de bijstand is teruggevorderd onvoldoende gemotiveerd. Meer subsidiair voeren appellanten aan dat op grond van dringende redenen moet worden afgezien van terugvordering. Appellanten hebben grote financiële problemen.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

In hoger beroep is tussen partijen nog in geschil de intrekking en terugvordering van de bijstand van appellanten over de maanden mei, juni en september 2010, januari en november 2011 en januari en februari 2012 en de intrekking en terugvordering van de bijstand van appellante over de maanden maart en juni 2011.

5.2.

Uit de gegevens van de RDW blijkt dat in de periode van mei 2010 tot en met februari 2012 een groot aantal kentekens van motorvoertuigen op naam van appellante geregistreerd heeft gestaan. De tenaamstellingen zijn vaak van korte duur geweest. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306) heeft het college, gelet op die gegevens, aannemelijk gemaakt dat met betrekking tot de motorvoertuigen transacties hebben plaatsgevonden. Hieraan doet niet af dat op internet geen aanwijzingen zijn gevonden voor autohandel door appellanten en dat ook hun bankafschriften geen blijk geven van inkomsten uit autohandel, zoals appellanten hebben betoogd. Door met betrekking tot het merendeel van de auto’s op hun naam geen mededeling te doen van het bezit en de transacties hebben appellanten hun inlichtingenverplichting geschonden.

5.3.

De datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellante staat, is de datum waarop de betreffende transactie heeft plaatsgevonden. Desgevraagd heeft het college aan de Raad meegedeeld dat uit de gegevens van de RDW niet blijkt van een transactie in mei 2010. In zoverre berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke grondslag. Het college heeft aangevoerd dat in november 2010 en december 2011 transacties hebben plaatsgevonden met auto’s op naam van appellant dan wel appellante, die om onduidelijke redenen echter niet tot een intrekking en terugvordering van bijstand over deze maanden hebben geleid. Voor zover het college hiermee wil betogen dat het ontbreken van een transactie in de maand mei 2010 gecompenseerd kan worden met deze transacties, faalt dit. Deze transacties heeft het college immers niet aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.

5.4.

Voor de overige maanden in geding geldt dat controleerbare gegevens over de transacties, waaronder begrepen gegevens over de daaruit ontvangen inkomsten, ontbreken. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, kan met de door appellanten ingediende stukken het recht op bijstand over de maanden waarin deze transacties hebben plaatsgevonden niet worden vastgesteld.

5.5.

Het college was daarom op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over de transactiemaanden in te trekken. De uitoefening van deze bevoegdheid is niet afzonderlijk bestreden. Met het voorgaande is tevens voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid en onder a, van de WWB, zodat het college bevoegd was tot terugvordering van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand over de in geding zijnde maanden, afgezien van mei 2010.

5.6.

Het college voert het beleid dat in beginsel steeds van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik wordt gemaakt en dat daarvan kan worden afgezien op grond van dringende redenen. Hiervan is sprake indien de terugvordering leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de belanghebbende. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke dringende redenen zich hier voordoen. Dat appellanten als gevolg van de terugvordering niet in aanmerking kwamen voor schuldhulpverlening, zoals zij hebben aangevoerd, kan niet worden aangemerkt als een dringende reden in vorenbedoelde zin. Anders dan appellanten hebben betoogd, leveren de door hen gestelde uitzichtloze situatie en het gegeven dat zij de zorg hebben voor een gehandicapt kind evenmin dringende redenen op. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. Daarbij hebben appellanten als schuldenaar bescherming, of kunnen zij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als neergelegd in artikel 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

5.7.

Appellanten hebben tegen de brutering geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat deze geen bespreking behoeft.

5.8.

Uit wat in 5.3 is overwogen, volgt dat het bestreden besluit, voor zover daarbij de intrekking en terugvordering van de bijstand over de maand mei 2010 is gehandhaafd, niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak dienen te worden vernietigd voor zover daarbij de rechtsgevolgen in stand zijn gelaten met betrekking tot de intrekking over de maand mei 2010 en de terugvordering in haar geheel. De Raad zal de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak voor het overige bevestigen. Het beroep is gegrond. Het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met betrekking tot de terugvordering met inachtneming van deze uitspraak. Voor het toepassen van een zogeheten bestuurlijke lus bestaat geen aanleiding, nu het hier nog slechts gaat om een financiële uitwerking. De Raad zal besluit 1 herroepen voor zover daarbij de bijstand over de maand mei 2010 is ingetrokken.

6.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 974,- in bezwaar en op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

  • -

    vernietigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten met betrekking tot de intrekking van de bijstand over de maand mei 2010 en de terugvordering in haar geheel;

  • -

    bevestigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    draagt het college op over de terugvordering een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    herroept besluit 1 (het besluit van 6 juli 2012) voor zover dat ziet op de intrekking van de bijstand over de maand mei 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 26 november 2012;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellanten tot een bedrag van € 1.948,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellanten het in hoger beroep betaalde griffierecht van

  • -

    € 118,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M.R. Schuurman

ij