Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2835

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2014
Datum publicatie
28-08-2014
Zaaknummer
14-345 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/345 WWB

Datum uitspraak: 26 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

9 december 2013, 13/3317 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2014. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C.M. Valkering.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 7 januari 2013 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand voor de kosten verbonden aan de eigen bijdrage voor rechtsbijstand en griffierecht.

1.2.

Bij brief van 28 januari 2013 heeft het college appellant verzocht vóór 11 februari 2013 de daarop betrekking hebbende gegevens over te leggen. Daarbij is appellant gewezen op de mogelijkheid dat zijn aanvraag niet zal worden behandeld als hij de gevraagde gegevens niet, niet tijdig of niet volledig verstrekt. Appellant heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.

1.3.

Bij besluit van 15 februari 2013 heeft het college de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld.

1.4.

Bij brief van 21 februari 2013 heeft mr. Roozemond, onder verwijzing naar zijn eerdere brief van 11 februari 2013 (waarin om uitstel is verzocht), namens appellant de gevraagde gegevens overgelegd. Daarop heeft het college bij brief van 7 maart 2013 aan mr. Roozemond meegedeeld dat de aanvraag van appellant reeds buiten behandeling is gesteld. Daarbij is tevens vermeld dat de brief van 11 februari 2013 niet door het college is ontvangen.

1.5.

Bij faxbericht van 12 april 2013 heeft mr. Roozemond een pro forma bezwaarschrift ingediend tegen de brief van 7 maart 2013.

1.6.

Bij brief van 26 april 2013 heeft het college de ontvangst van dat bezwaarschrift bevestigd en meegedeeld dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken is ingediend. Om te beoordelen of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding is appellant vervolgens in de gelegenheid gesteld aan te geven om welke reden het bezwaarschrift te laat is ingediend. Daarbij is appellant gewezen op de mogelijkheid dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

In antwoord daarop heeft mr. Roozemond bij brief van 6 mei 2013 meegedeeld dat het bezwaarschrift naar zijn mening binnen de wettelijke termijn van zes weken is ingediend.

1.7.

Bij schrijven van 7 mei 2013 heeft mr. Roozemond alsnog bezwaar aangetekend tegen het onder 1.3 genoemde besluit van 15 februari 2013.

1.8.

Bij besluit van 6 juni 2013 (bestreden besluit), heeft het college de beide bezwaarschriften niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar tegen de brief van 7 maart 2013 is niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat dit geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Het bezwaar tegen het besluit van 15 februari 2013 is niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn van zes weken is ingediend en niet is gebleken dat die termijnoverschrijding verschoonbaar is.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank eerst vastgesteld dat in beroep tussen partijen niet meer in geschil is dat de brief van 7 maart 2013 geen besluit is, zodat alleen nog ter beoordeling resteert de vraag of appellant tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 15 februari 2013. De rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord en het beroep tegen het bestreden besluit in zoverre ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft aangevoerd dat appellant bij het hoger beroep geen procesbelang meer heeft omdat appellant naderhand een nieuwe aanvraag om bijzondere bijstand heeft ingediend voor dezelfde kosten als die waarop de onderhavige aanvraag ziet, dat die aanvraag is afgewezen en dat daarover thans nog een procedure aanhangig is bij de rechtbank. Die grond slaagt niet, reeds omdat appellant tijdig om vergoeding van de kosten in bezwaar heeft verzocht. In dit verband wordt verwezen naar vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van

16 juli 2013, ECLI:NL:CRvB:2013:1028).

4.2.

Voorts is het hoger beroep beperkt tot de vraag of het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 februari 2013 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.

4.3.

Wat appellant in dit verband heeft aangevoerd komt op het volgende neer. Appellant noch zijn gemachtigde zijn tijdig bekend geworden met het besluit van 15 februari 2013. Het had op de weg van het college gelegen dit besluit meteen aan de gemachtigde te doen toekomen, dan wel dit besluit als bijlage bij de brief van 7 maart 2013 te voegen. Het college had in die brief ook melding moeten maken van het besluit van 15 februari 2013. Nu dit besluit eerst bij schrijven van 26 april 2013 aan appellant bekend is gemaakt, is ook eerst na 26 april 2013 de bezwaartermijn gaan lopen, zodat het bezwaarschrift tijdig is ingediend.

4.4.

Vaststaat dat het college het besluit van 15 februari 2013 aan appellant heeft verzonden. Mr. Roozemond heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college zijn schrijven van 11 februari 2013 wel heeft ontvangen en de ontvangst van dat schrijven heeft bevestigd. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat het college er bij de verzending van het besluit van 15 februari 2013 nog niet mee bekend was dat mr. Roozemond in bezwaar als gemachtigde van appellant optrad. Er bestond dus geen aanleiding het besluit van 15 februari 2013 (tevens) aan hem te doen toekomen. Dit betekent dat het besluit van 15 februari 2013 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, zodat de bezwaartermijn liep van 16 februari 2013 en tot en met 29 maart 2013. In de brief van 7 maart 2013 is het besluit van 15 februari 2013 niet expliciet genoemd. Zoals onder 3.4 in de aangevallen uitspraak is overwogen heeft mr. Roozemond uit de brief van 7 maart 2013 wel kunnen afleiden dat de aanvraag reeds bij een eerder besluit buiten behandeling was gesteld, zodat hij dat besluit had kunnen opvragen en daartegen een (voorlopig) bezwaarschrift had kunnen indienen toen de bezwaartermijn nog niet was verstreken. Nu mr. Roozemond eerst bij brief van 7 mei 2013 namens appellant een bezwaarschrift tegen het besluit van 15 februari 2013 heeft ingediend, is de bezwaartermijn van zes weken ruimschoots overschreden. Omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 februari 2013 terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep treft dus geen doel.

4.5.

Uit wat in 4.4 is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M.R. Schuurman

HD