Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2821

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
25-08-2014
Zaaknummer
12-6803 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:8045, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag. Gezamenlijke huishouding. Betaling vanuit PGB. Financiële verstrengeling. Wederzijdse zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6803 WWB, 13/3352 WWB, 14/3135 WWB

Datum uitspraak: 19 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van

27 november 2012, 12/1207 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het Drechtstedenbestuur (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. A. de Raad, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. De Raad. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door W.M.M. Duvivier en E.J. van Zwieten.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant woont sinds 1 oktober 2011 in bij A. [L.] (L), die huurder is op het adres [adres] te [plaatsnaam]. Appellant en L hebben een overeenkomst getekend, volgens welke appellant een kamer huurt bij L. Appellant heeft een CIZ-indicatie en ontvangt vanaf

4 april 2012 een persoonsgebonden budget (pgb). Hij heeft met L met ingang van 1 december 2011 een zorgovereenkomst afgesloten en ontvangt van haar persoonlijke verzorging, verpleging en begeleiding. Het salaris van L wordt betaald uit het pgb.

1.2.

Appellant heeft op 9 november 2011 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend naar de norm voor een alleenstaande (eerste aanvraag).

1.3.

Het bestuur heeft bij besluit van 18 juli 2012 (bestreden besluit 1) de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat appellant kan worden aangemerkt als samenwonend in combinatie met een onweerlegbaar rechtsvermoeden als bedoeld in artikel 3, aanhef, vierde lid, onder d, van de WWB en artikel 3, eerste lid, artikel c, van het Besluit aanwijzing registratie huishouding 1998.

1.4.

Appellant heeft reeds op 28 juni 2012 opnieuw bijstand aangevraagd (tweede aanvraag).

1.5.

Het bestuur heeft bij besluit van 23 juli 2012 (bestreden besluit 2) opnieuw afwijzend beslist op de grond dat geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

1.6.

Appellant heeft bij brief van 4 september 2012 het college verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2. Het college heeft ingestemd met dit verzoek en het bezwaar tegen de bestreden besluiten als beroep aan de rechtbank gezonden.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft tevens om een voorlopige voorziening verzocht.

4.

Na behandeling door de voorzieningenrechter van de Raad op 21 februari 2013 heeft appellant zijn verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken. Het bestuur heeft aanleiding gezien de bestreden besluiten in te trekken en te vervangen door het nadere besluit van 17 juni 2013 (nader besluit). Bij dit besluit heeft het bestuur de eerste aanvraag om bijstand opnieuw afgewezen op de grond dat sprake is van het voeren van een gezamenlijke huishouding tussen appellant en L als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB. De tweede aanvraag om bijstand is eveneens afgewezen op de grond dat geen sprake is van een veranderde situatie ten opzichte van de eerste aanvraag.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

De Raad zal het besluit van 17 juni 2013 op de voet van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb mede in zijn beoordeling betrekken. Uit 4 volgt dat het college de bestreden besluiten niet handhaaft. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep tegen de bestreden besluiten is gegrond. Zij komen voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het nadere besluit inhoudelijk beoordelen.

5.2.

De door de Raad te beoordelen perioden strekken zich uit van 9 november 2011 tot en met 18 juli 2012 (periode 1) in verband met de eerste aanvraag en van 19 juli 2012 tot en met 23 juli 2012 (periode 2) in verband met de tweede aanvraag, voor zover niet beoordeeld in periode 1.

5.3.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandsverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

5.4.

Op grond van artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van de objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.


5.5. Niet in geschil is dat appellant en L gedurende de te beoordelen perioden hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.


5.6. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende vaste lasten. Indien van een zodanige financiële verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan. Daarbij is van belang dat voor het aannemen van wederzijdse zorg niet noodzakelijk is dat de door ieder van beiden geboden zorg ten opzichte van elkaar dezelfde omvang en intensiteit heeft.

5.7.

Appellant heeft, samengevat, aangevoerd dat niet is voldaan aan het criterium van de wederzijdse zorg, nu niet is gebleken van enige wederkerigheid. De door L verleende zorg is eenzijdig en gebaseerd op een medische indicatie. Appellant betaalt L vanuit het hem toegekende pgb. Uit de bankafschriften, de gegevens met betrekking tot het bedrijf [naam bedrijf] en de kleding welke is gekocht bij damesboetieks kan niet worden afgeleid dat sprake is van financiële verstrengeling.

5.8.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan appellant heeft aangevoerd bieden de onderzoeksgegevens van het college voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat sprake was van wederzijdse zorg. Uit de door appellant overgelegde bankafschriften blijkt dat appellant en L een gezamenlijke en/of-rekening bij de ASN bank hebben met rekeningnummer [rekening nr. 1] en dat L van haar rekeningnummer regelmatig geld heeft overgemaakt naar de bankrekening van appellant, onder andere op 18 juli 2012. Bovendien maakte appellante gebruik van een rekening op naam van appellant, omdat zij bij een rekening op haar eigen naam beslag vreesde. Appellant heeft van zijn rekeningnummer [rekening nr. 2] op 3 mei 2012 en 11 mei 2012 dameskleding heeft gekocht voor L. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat appellant daadwerkelijk huur heeft betaald aan L. Dit duidt op een financiële verwevenheid die niet uitsluitend bestaat uit het delen van woonlasten, en die ook niet te rijmen is met zakelijke verhouding tussen zorgverlener en patiënt. Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij vanaf oktober 2011 tot 22 februari 2012 L heeft geholpen met het opbouwen van haar bedrijf [naam bedrijf]. Hij had kennis van deze business, gaf adviezen aan L en was contactpersoon voor het bedrijf. Dit betekent dat appellant voorafgaande aan de periode dat hij pgb ontving zorg heeft verleend aan L.

5.9.

Uit 5.2 tot en met 5.8 volgt dat het bestuur de aanvraag om bijstand terecht heeft afgewezen op de grond dat sprake is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding tussen appellant en L. Gelet op de korte duur van de aan periode 1 aansluitende periode 2, en nu appellant niet gesteld heeft dat de situatie in periode 2 op relevante punten anders was, mocht het college de tweede aanvraag afwijzen op de grond dat appellant geen veranderde omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt ten opzichte van de eerdere periode, waarover afwijzend is beslist op zijn aanvraag om bijstand. Dit betekent dat het beroep tegen het besluit van 17 juni 2013 ongegrond moet te worden verklaard.

6.

Aanleiding bestaat om het bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.948,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt de besluiten van 18 juli 2012 en 23 juli 2012;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 juni 2013 ongegrond;

- veroordeelt het bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.948,- in

totaal;

- bepaalt dat het bestuur aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) J.T.P. Pot

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD