Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2813

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2014
Datum publicatie
25-08-2014
Zaaknummer
14-2020 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De aan appellant opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag is niet onevenredig aan de ernst van het verweten plichtsverzuim. Van een officier van justitie wordt een hoge mate van integriteit, professionaliteit en zorgvuldigheid verwacht. Hij vervult een voorbeeldfunctie. Met het nuttigen van alcohol onder werktijd en het vervolgens ter zitting optreden, heeft appellant de geloofwaardigheid van de strafrechtelijke handhaving in gevaar gebracht en niet alleen zijn eigen positie geschaad, maar ook het aanzien van het openbaar ministerie in gevaar gebracht. Bovendien was appellant een gewaarschuwd man. Zijn staat van dienst kan appellant in deze situatie niet baten. Van onvoldoende begeleiding, ten slotte, is niet gebleken. Uit de stukken komt eerder het beeld naar voren dat leidinggevenden appellant in zijn wil om te presteren moesten afremmen dan dat te grote druk op hem werd uitgeoefend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/158
NJB 2014/1594

Uitspraak

14/2020 AW, 14/2130 AW

Datum uitspraak: 21 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

en

Minister van Veiligheid en Justitie (minister) en de Kroon, vertegenwoordigd door de minister

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.F.A.M. Weijling, advocaat, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaren tegen het besluit van de minister van

29 januari 2013 en het koninklijk besluit van 5 april 2013.

Bij besluit van 10 april 2014 (bestreden besluit) heeft de minister alsnog op deze bezwaren beslist.

Namens appellant heeft mr. Weijling beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Namens de minister heeft mr. R. van Arkel, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Weijling. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Van Arkel, mr. R. Snijhorst en drs. M.J.G. van Leuken.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was vanaf 1985 werkzaam bij het Openbaar Ministerie, sinds 1 april 2002 als officier van justitie, laatstelijk bij het Regioparket [Regioparket].

1.2. Op 16 mei 2011 heeft appellant zich ziek gemeld wegens mentale overbelasting als gevolg van een combinatie van werk, sociale en medische factoren. Hij heeft een uitgebreid multidisciplinair behandeltraject gevolgd bij re-integratiebureau Winnock. Op 4 juli 2011 en 17 oktober 2011 heeft zijn leidinggevende, V, onder meer het alcoholgebruik van appellant met hem besproken. Vanaf september 2011 heeft appellant zijn werkzaamheden geleidelijk hervat. Na een terugval in december 2011 heeft appellant in februari 2012 opnieuw een intensieve fase doorlopen bij Winnock. Daarna is hij voor zijn alcoholverslaving onder begeleiding gekomen bij Plan Morgen.

1.3. Nadat bij appellant op het werk een alcoholgeur was geroken en een rood gezicht en

rooddoorlopen ogen waren geconstateerd, heeft de hoofdofficier van justitie, Z, op

17 april 2012 indringend met hem gesproken. In dat gesprek heeft appellant erkend de avond daarvoor alcohol te hebben gebruikt. Z heeft hem gewaarschuwd dat hij bij een volgende constatering tijdens diensttijd van alcoholgebruik zou worden voorgedragen voor strafontslag. Met ingang van 1 juli 2012 was appellant volledig hersteld. Op 22 oktober 2012 is appellant nogmaals gewaarschuwd omdat er opnieuw signalen van drankgebruik merkbaar waren op het werk.

1.4. Op 15 november 2012 heeft appellant zich bij de managementassistente ziek gemeld; zijn leidinggevende was daar niet van op de hoogte. Op 20 november 2012 heeft appellant twee zittingen die hij al had voorbereid zelf willen doen. Tussen de twee zittingen door heeft hij sterke drank gedronken. De hoofdofficier van justitie, M, heeft appellant geconfronteerd met het feit dat hij naar alcohol rook; appellant is naar huis gebracht en vrijgesteld van werkzaamheden.

1.5. In de mondelinge en schriftelijke zienswijze over de gebeurtenissen op 20 november 2012 heeft mr. Weijling namens appellant te kennen gegeven dat bij Plan Morgen de diagnose alcoholafhankelijkheid en een chronische aanpassingsstoornis (burned-out) met depressieve stemming is gesteld. Verder heeft hij een hoge bloeddruk en psoriasis, waardoor zijn gezicht regelmatig rood kleurt. Appellant erkent het gebruik van alcohol op 20 november 2012, maar meent dat hem dat niet, althans in verminderde mate, is te verwijten.

1.6. Na het voornemen daartoe is appellant bij besluit van 29 januari 2013 primair ontslag verleend op grond van artikel 34b, aanhef en onder k, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Brra) met ingang van de datum waarop het ontslag per koninklijk besluit is geformaliseerd. Subsidiair heeft de minister appellant ontslag verleend op grond van ongeschiktheid voor het vervullen van zijn ambt, anders dan wegens ziekte zoals bedoeld in artikel 36, aanhef en onder a, van het Brra. Bij koninklijk besluit van 5 april 2013 is aan appellant met ingang van 15 april 2013 ontslag verleend. Aan het ontslag ligt ten grondslag dat appellant zeer ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd doordat hij op 20 november 2012 onder werktijd - onder meer tijdens een zitting bij de politierechter - onder invloed is geweest van alcohol. Het gebruik van alcohol was merkbaar voor zijn omgeving; appellant rook naar alcohol en er zijn ook andere symptomen van drankgebruik waargenomen, zoals een rood gezicht en bloeddoorlopen ogen.

1.7. De Adviescommissie bezwaarschriften Algemene wet bestuursrecht inzake personele aangelegenheden Ministerie van Veiligheid en Justitie (adviescommissie) heeft de minister geadviseerd om de besluiten te herroepen, omdat er een (onherstelbaar) informatiegebrek is over de vraag of de gedragingen appellant, gelet op zijn medische situatie, kunnen worden toegerekend en of de ongeschiktheid voor zijn functie wordt veroorzaakt door ziekte.

1.8. Partijen hebben in onderling overleg advies gevraagd aan de psychiater en neuroloog C.J.F. Kemperman, die op 13 februari 2014 een zakelijk rapport heeft uitgebracht.

1.9. Bij het bestreden besluit heeft de minister de bezwaren van appellant in afwijking van het advies van de adviescommissie ongegrond verklaard. Daaraan is, voor zover van belang, ten grondslag gelegd dat (medisch) onderzoek in de bezwaarfase nog mogelijk is. Uit de rapportage van Kemperman volgt dat het verweten plichtsverzuim appellant valt toe te rekenen, zij het verminderd. Gelet op de aard van de functie en het feit dat appellant een gewaarschuwd man was, acht de minister het plichtsverzuim waaraan appellant zich heeft schuldig gemaakt zo ernstig, dat het opleggen van de disciplinaire straf van ontslag passend is.

2.1. In beroep heeft appellant aangevoerd dat achteraf niet meer is vast te stellen of sprake was van een psychisch defect waardoor zijn alcoholgebruik en het plichtsverzuim hem niet vallen toe te rekenen en dat dit (onherstelbare) informatiegebrek voor risico van de minister moet komen. Als moet worden uitgegaan van verminderde toerekenbaarheid is het verlenen van strafontslag onevenredig zwaar. Appellant heeft erkend ’s avonds laat soms te hebben gedronken om in slaap te komen, maar het was voor het eerst dat hij alcohol op het werk had gebruikt. Het ging om enkele slokken en hij was niet dronken. Appellant heeft verder gewezen op zijn staat van dienst, de zwaarte van de functie van officier van justitie en de zorgplicht die dat voor de minister meebrengt. De begeleiding is niet steeds goed geweest: in de re-integratiefase was de druk te groot en toen het vanaf september 2012 opnieuw slechter met hem ging had hij in korte tijd te maken met vier verschillende leidinggevenden, waardoor een gesprek over de terugval niet mogelijk was.

2.2. De minister heeft benadrukt dat appellant intensief is begeleid. Ook nadat hij per 1 juli 2012 volledig was hersteld hebben leidinggevenden, waaronder V, en de bedrijfsmaatschappelijk werker regelmatig contact met hem gehad. Er was afgesproken dat hij altijd bij V terecht kon, ook toen zij niet meer zijn leidinggevende was. In de gesprekken heeft appellant telkens aangegeven dat het goed met hem ging, totdat hij in het gesprek op

22 oktober 2012 te kennen gaf dat hij een terugval had op het gebied van alcoholgebruik en opnieuw is gewaarschuwd. De lange staat van dienst betekent volgens de minister dat appellant wist, althans behoorde te weten, dat het gepleegde plichtsverzuim gelet op de aard van de functie ontoelaatbaar was.

3.

De Raad overweegt het volgende.

3.1.

Appellant heeft zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaren ter zitting ingetrokken.

3.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant de hem verweten gedragingen heeft begaan en dat die plichtsverzuim opleveren.

3.3.

Het is vaste rechtspraak van de Raad (uitspraken van 26 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA4523 en van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT2637) dat een alcoholverslaving op zichzelf geen verontschuldigende factor vormt bij de beoordeling van onder invloed van die verslaving gepleegd plichtsverzuim. Dit zou slechts anders zijn indien die verslaving moet worden toegeschreven aan een zodanig, niet door die verslaving veroorzaakt, psychisch defect dat appellant niet meer in staat moet worden geacht om zijn wil ten aanzien van zijn drinkgedrag in vrijheid te bepalen.

3.4.

Anders dan appellant heeft gesteld, heeft de minister een (mogelijke) onzorgvuldige voorbereiding van het ontslagbesluit, door voor het nemen van dat besluit geen medisch onderzoek te laten verrichten naar de toerekenbaarheid van het plichtsverzuim, in de bezwaarfase kunnen herstellen door alsnog dat medische onderzoek te laten verrichten. De Raad verwijst hiervoor naar zijn uitspraken van 10 augustus 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AY6543) en van 4 maart 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BL6917).

3.5.

Gelet op het rapport van Kemperman heeft appellant de aanwezigheid van een uitzonderingssituatie zoals genoemd onder 3.3 hier niet aannemelijk gemaakt. Appellant was op 20 november 2012 weliswaar ziek, maar de aanpassingsstoornis en de alcoholgebruik stoornis waar appellant aan leed waren niet van dusdanige aard dat hij niet meer in staat was om in vrijheid zijn wil te bepalen ten aanzien van zijn drinkgedrag; wel lijkt hij daartoe in verminderde mate in staat te zijn geweest. De Raad ziet geen reden Kemperman hierin niet te volgen. Verder is, hoewel zijn oordeelsvermogen door ziekte was aangetast, niet gebleken van een psychiatrische ziekte of gebrek waardoor bij appellant ieder besef ontbrak dat het onjuist was om, terwijl hij alcohol had gedronken, als officier van justitie ter zitting te verschijnen. De verweten gedragingen kunnen appellant dan ook, zij het in verminderde mate, worden toegerekend.

3.6.

De aan appellant opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag is niet onevenredig aan de ernst van het verweten plichtsverzuim. Van een officier van justitie wordt een hoge mate van integriteit, professionaliteit en zorgvuldigheid verwacht. Hij vervult een voorbeeldfunctie. Met het nuttigen van alcohol onder werktijd en het vervolgens ter zitting optreden, heeft appellant de geloofwaardigheid van de strafrechtelijke handhaving in gevaar gebracht en niet alleen zijn eigen positie geschaad, maar ook het aanzien van het openbaar ministerie in gevaar gebracht. Bovendien was appellant een gewaarschuwd man. Zijn staat van dienst kan appellant in deze situatie niet baten. Van onvoldoende begeleiding, ten slotte, is niet gebleken. Uit de stukken komt eerder het beeld naar voren dat leidinggevenden appellant in zijn wil om te presteren moesten afremmen dan dat te grote druk op hem werd uitgeoefend.

3.7.

Nu het strafontslag in stand blijft zal het beroep ongegrond worden verklaard. Aan beoordeling van het subsidiair verleende ongeschiktheidsontslag komt de Raad niet toe.

4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2014.

(getekend) J.N.A. Bootsma

(getekend) C.E.M. van Paddenburgh

HD