Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2805

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-08-2014
Datum publicatie
26-08-2014
Zaaknummer
13-3493 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om toeslag en/of voorzieningen omdat de bij appellante aanwezige psychische klachten weliswaar verband houden met het oorlogsgeweld, maar deze hebben niet geleid tot blijvende invaliditeit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3493 WUBO

Datum uitspraak: 21 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

In het geding tussen:

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 juni 2013, kenmerk BZ01567325. Dit betreft de uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

14 november 2013, heeft de Raad het beroep van appellante tegen dit besluit niet-ontvankelijk verklaard.

Appellante heeft verzet gedaan.

Bij uitspraak van 11 april 2014 is het verzet gegrond verklaard. Hiermee is de uitspraak van de Raad van 14 november 2013 vervallen en is het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2014, waar appellante zoals vooraf was gemeld niet is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.

Appellante is geboren in 1941 in het toenmalige Nederlands-Indiƫ. In juni 2012 heeft zij verzocht om toekenningen op grond van de Wubo. Bij besluit van 8 januari 2013 is erkend dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo, namelijk internering in kamp Kanigoro tijdens de Bersiap-periode. De aanvraag om toeslag en/of voorzieningen op grond van die wet is afgewezen op de grond dat de bij appellante aanwezige psychische klachten weliswaar verband houden met het oorlogsgeweld, maar dat deze niet hebben geleid tot blijvende invaliditeit. Deze afwijzing is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2.

Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.

2.1.

Van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo is volgens het beleid van verweerder sprake als de betrokkene beperkingen heeft in minstens twee van de vier aan de American Medical Association (AMA) ontleende rubrieken, te weten 1) dagelijkse activiteiten,

2) sociaal functioneren, 3) concentratie, doorzettingsvermogen en tempo en 4) aanpassing aan stressvolle omstandigheden. Deze maatstaf is door de Raad in vaste rechtspraak aanvaard (uitspraak van 5 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW1768).

2.2.

Het bij het bestreden besluit ingenomen standpunt van verweerder is in overeenstemming met de adviezen van twee geneeskundig adviseurs. Deze adviezen berusten op een medisch onderzoek van appellant door een van deze adviseurs, de arts G.L.G. Kho. Daarbij is betrokken de ontvangen informatie van de huisarts D.L. de Kuyper en van de radioloog

T.R. Wesselius. Uit het onderzoek van Kho komt naar voren dat de psychische klachten van appellante (kenmerken van een post-traumatisch stress-syndroom) geen beperkingen geven in genoemde vier rubrieken. Op grond hiervan is geoordeeld dat geen sprake is van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo.

2.3.

Appellante heeft aangevoerd dat haar beperkingen door haar psychische klachten zijn onderschat. Zij vindt verder dat ook haar lichamelijke klachten (met name haar korte lengte, rugklachten en darmklachten) in verband staan met het ondergane oorlogsgeweld, met name de zware ondervoeding en dysenterie tijdens de kampperiode.

2.4.

De Raad acht op grond van de onder 2.2 genoemde adviezen van de geneeskundig adviseurs het bestreden besluit voldoende zorgvuldig voorbereid en voldoende onderbouwd. Er is niet gebleken dat de beperkingen van appellante door haar psychische klachten ten tijde in geding zijn onderschat. Dat zij twee tot vier keer per maand nachtmerries heeft maakt, mede gezien het totaalbeeld van het functioneren van appellante, niet dat van een relevante beperking kan worden gesproken.

2.5.

Voor het standpunt van appellante dat de ondervoeding op jeugdige leeftijd heeft geleid tot de lichamelijke klachten van appellante (met name de rugklachten en darmklachten) is geen wetenschappelijke grondslag aanwezig. Haar rugklachten worden veroorzaakt door een forse wervelkanaalstenose, een degeneratieve aandoening. De darmklachten van appellante leiden niet tot invaliditeit in de zin van de Wubo. Om die reden is met betrekking tot de darmklachten een oordeel over het causaal verband met de oorlogsomstandigheden uitgesteld.

2.6.

Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond wordt verklaard.

3.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) E. Heemsbergen

HD