Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2804

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
14-4122 AW-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens incompatibiliteit. Spoedeisend belang. In verband met de door het college aan de orde gestelde vraag of het bezwaar van verzoeker tegen de weigering van het college ontvankelijk is wijst de voorzieningenrechter erop, dat verzoeker een gewezen ambtenaar van de gemeente Amsterdam is aan wie het college per 1 april 2014 een WW-uitkering in het vooruitzicht heeft gesteld. Daarom is er geen grond om de weigering van het college tot betaling van een voorschot op de WW-uitkering of een daarvoor in de plaats gekomen ZW-uitkering vanaf 1 april 2014 niet aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb jegens verzoeker als gewezen ambtenaar. Er is dan ook geen reden het bezwaar tegen die weigering niet-ontvankelijk te achten. Het is niet aanvaardbaar dat verzoeker door een - door het college kennelijk aanvaarde - ziekmelding tijdens zijn dienstverband vanaf de ontslagdatum van een uitkering verstoken blijft. Het ligt op de weg van het college om de verantwoordelijkheid te nemen die past bij de aan het ontslag verbonden WW-uitkering. Het college dient verzoeker dus vanaf 1 april 2014 voorschotten op een uitkering toe te kennen ter hoogte van de WW-uitkering. Deze maandelijkse voorschotten behoren bij ongewijzigde omstandigheden in elk geval voort te duren tot de uitspraak van de Raad over het ontslagbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/311
NJB 2014/1592

Uitspraak

14/4122 AW-VV

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats](verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 24 juli 2014, 12/210 AW, 14/579 AW, (ECLI:NL:CRVB:2014:2529) heeft de Raad een beslissing gegeven op het hoger beroep van het college tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2011, 11/4078, en op het beroep van verzoeker tegen een besluit van 22 januari 2014 ter uitvoering van die rechtbankuitspraak.

In de uitspraak van 24 juli 2014 is overwogen dat het besluit van eveneens 22 januari 2014, houdende ontslag van verzoeker met ingang van 1 april 2014, met instemming van partijen, gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling wordt betrokken. Genoemd besluit is nog niet door de Raad behandeld.

Namens verzoeker heeft mr. I.L. Gerrits, advocaat, op 22 juli 2014 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend ter zake van de weigering van het college om verzoeker vanaf 1 april 2014 betalingen te verstrekken van bedragen gelijk aan de

Ziektewet-uitkering (ZW-uitkering) dan wel de uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).

In antwoord op een vraag van de voorzieningenrechter heeft het college bij brief van

5 augustus 2014 meegedeeld bereid te zijn onverplicht voorlopig analoog een voorschot

ZW-uitkering te betalen. Voor de maand augustus 2014 wordt dit betaald in week 32 en bij een ongewijzigde situatie voor de maand september in week 36.

De waarnemend advocaat van verzoeker heeft telefonisch kenbaar gemaakt, dat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gehandhaafd omdat het college weigert het voorschot met terugwerkende kracht te verlenen.

Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb heeft de voorzieningenrechter behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening ter zitting achterwege gelaten.


OVERWEGINGEN

1.1. Verzoeker was werkzaam als klantmanager bij de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam. Het college heeft verzoeker bij besluit van 28 juli 2010 strafontslag verleend wegens vermeende integriteitschendingen. Na de vernietiging door de rechtbank van de beslissing op bezwaar waarbij dit strafontslag was gehandhaafd, heeft het college bij besluit van 22 januari 2014 het strafontslag ingetrokken en de straf van schriftelijke berisping opgelegd. Bij de uitspraak van 24 juli 2014 heeft de Raad evenals de rechtbank van enkele gedragingen van verzoeker geoordeeld dat deze geen plichtsverzuim zijn en van het resterende plichtsverzuim geoordeeld dat de straf van ontslag onevenredig is aan de ernst van het plichtsverzuim. De straf van schriftelijke berisping is door de Raad in stand gelaten.

1.2. Bij het besluit van 22 januari 2014 is verzoeker met ingang van 1 april 2014 ontslag verleend wegens incompatibiliteit (ontslagbesluit). Hierbij is toepassing gegeven aan artikel 12.12b van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam. Het college heeft daarbij bepaald dat verzoeker onder meer een WW-uitkering zal worden toegekend. Het bij dit ontslagbesluit gemaakte voorbehoud vanwege het toen nog lopende hoger beroep over het strafontslag is achterhaald door de uitspraak van de Raad van 24 juli 2014.

1.3. Verzoeker heeft zich op 24 maart 2014 ziek gemeld. Bij een verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 2 juni 2014 is vastgesteld dat verzoeker arbeidsongeschikt is. De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft bij besluit van

13 juni 2014 geen (voorschot) ZW-uitkering toegekend, omdat verzoeker rechtsmiddelen heeft aangewend tegen zijn ontslag en hij dus mogelijk aanspraak heeft op doorbetaling van het loon.

1.4. Nadat mr. Gerrits en het college zonder succes aan het Uwv hadden gevraagd om verzoeker een voorschot ZW-uitkering toe te kennen, heeft mr. Gerrits namens verzoeker bij e-mail van 8 juli 2014 aan het college verzocht om maandelijkse bedragen die gelijk zijn aan de ZW-uitkering. Als grondslag is gewezen op het ontslagbesluit, waarin is bepaald dat verzoeker een WW-uitkering zal worden toegekend. Het laatste moet, aldus de gemachtigde van verzoeker, inmiddels worden gelezen als ZW-uitkering.

1.5. Het college heeft verzoekers gemachtigde per e-mail van 17 juli 2014 meegedeeld dat opnieuw bij het Uwv is aangedrongen op betaling van een voorschot. Namens verzoeker is bezwaar gemaakt tegen de hieruit blijkende weigering door het college om aan zijn verzoek van 8 juli 2014 tegemoet te komen. Tegelijk is het verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

2.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van de Awb, kan indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ook indien, zoals in dit geval in een hoger beroep met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19 van de Awb mede betrokken wordt een nieuw besluit waarmee niet is tegemoet gekomen aan het bezwaar van de belanghebbende, kan de voorzieningenrechter ter zake van dat besluit op verzoek een voorlopige voorziening treffen.

2.2.

Gelet op de samenhang tussen het bij de Raad in (hoger) beroep aanhangige ontslagbesluit en de weigering door het college ter zake van dat ontslag een uitkering te betalen is de voorzieningenrechter van oordeel dat hij bevoegd is te beslissen op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ter zake van die weigering.

2.3.

In verband met de door het college aan de orde gestelde vraag of het bezwaar van verzoeker tegen de weigering van het college ontvankelijk is wijst de voorzieningenrechter erop, dat verzoeker een gewezen ambtenaar van de gemeente Amsterdam is aan wie het college per 1 april 2014 een WW-uitkering in het vooruitzicht heeft gesteld. Daarom is er geen grond om de weigering van het college tot betaling van een voorschot op de

WW-uitkering of een daarvoor in de plaats gekomen ZW-uitkering vanaf 1 april 2014 niet aan te merken als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb jegens verzoeker als gewezen ambtenaar. Er is dan ook geen reden het bezwaar tegen die weigering niet-ontvankelijk te achten.

2.4.

Omdat verzoeker over het tijdvak van 1 april 2014 tot 1 augustus 2014 geen inkomsten heeft ontvangen en het college de inmiddels toegezegde voorschotbetaling heeft beperkt tot de maand augustus en de betaling van een eventueel voorschot voor de maand september van

een voorbehoud heeft voorzien, is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een voldoende spoedeisend belang.

2.5.

Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad (20 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:934) behoort een ontslag, zoals aan verzoeker verleend, gepaard te gaan met een aanspraak op (een garantie) op een ontslaguitkering, die ten minste gelijk is aan het voor de ambtenaar geldende totaal van uitkeringen, berekend op basis van de WW en de regeling(en) inzake bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid, als ware als gevolg van het ontslag geen sprake van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de WW. De (garantie op een) aanspraak op genoemde uitkering is erop gericht de ambtenaar per de ontslagdatum ook van inkomsten te verzekeren, indien de uitkeringsinstantie aanleiding zou zien om geen recht op uitkering toe te kennen.

2.6.

De gedingstukken laten zien dat verzoekers aanspraak op een WW-uitkering per 1 april 2014 wordt belemmerd door de omstandigheid dat hij vanaf 24 maart 2014 ziek is en dat de toekenning van (een voorschot op) de ZW-uitkering per 1 april 2014 wordt tegengehouden door de omstandigheid dat verzoeker rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het hem verleende ontslag.

2.7.

Gelet op hetgeen onder 2.5 is overwogen is niet aanvaardbaar dat verzoeker door een

- door het college kennelijk aanvaarde - ziekmelding tijdens zijn dienstverband vanaf de ontslagdatum van een uitkering verstoken blijft. Het ligt op de weg van het college om de verantwoordelijkheid te nemen die past bij de aan het ontslag verbonden WW-uitkering. Het college dient verzoeker dus vanaf 1 april 2014 voorschotten op een uitkering toe te kennen ter hoogte van de WW-uitkering. Deze maandelijkse voorschotten behoren bij ongewijzigde omstandigheden in elk geval voort te duren tot de uitspraak van de Raad over het ontslagbesluit.

3.

Het vorenstaande brengt mee dat het verzoek van verzoeker tot betaling van een uitkering toegewezen wordt. De voorzieningenrechter acht het aangewezen om te bepalen dat de uitkering over het tijdvak van 1 april 2014 tot 1 augustus 2014 uiterlijk 14 dagen na de verzending van deze uitspraak aan verzoeker wordt betaald. Daarbij is in aanmerking genomen dat het college vanaf eind juni 2014 op de hoogte is van de omstandigheid dat verzoeker geen uitkering heeft vanaf 1 april 2014. Voor het opleggen van een dwangsom, zoals namens verzoeker is verzocht, wordt geen aanleiding gezien. De voorzieningenrechter vertrouwt erop dat het college met voortvarendheid uitvoering geeft aan deze uitspraak.

4.

In het vorenstaande vindt de voorzieningenrechter aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Deze worden begroot op € 487,- aan kosten van rechtsbijstand.

5.

Het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- wijst het verzoek toe, in zoverre dat het college verzoeker vanaf 1 april 2014 voorschotten

op een maandelijkse uitkering ter hoogte van de WW-uitkering betaalt;

- bepaalt dat de uitkering over het tijdvak van 1 april 2014 tot 1 augustus 2014 uiterlijk

14

dagen na de verzending van deze uitspraak wordt betaald;

- wijst af het verzoek om een dwangsom op te leggen;

- bepaalt dat het college aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 165,- vergoedt;

- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 487,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van

T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) T.A. Meijering

HD