Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2803

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
13-2008 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting en intrekking bijstand. Onduidelijke woonsituatie. Niet overleggen van de verlangde informatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2008 WWB, 14/2520 WWB

Datum uitspraak: 19 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland van

27 februari 2013, 12/1017 (aangevallen uitspraak 1) en 27 maart 2014, 13/797 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst van de gemeenten Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo (ISD)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 14/2522 WWB plaatsgehad op 8 juli 2014. Namens appellant is verschenen mr. Brouwer. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van een interne melding dat appellant per 27 juli 2011 is verhuisd van [adres A] te Assen (adres A) naar [adres B] te Assen (adres B) heeft de ISD een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft op 16 november 2011 een onaangekondigd huisbezoek op het adres B plaatsgevonden. Tijdens het huisbezoek is door een bewoner van het pand verklaard dat appellant adres B gebruikt als postadres. Naar aanleiding van de bevindingen tijdens het huisbezoek is appellant uitgenodigd om op gesprek te komen. Op 6 en 21 december 2011 zijn met appellant gesprekken gevoerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 19 januari 2012.

1.3.

Bij besluit van 22 december 2011, zoals gehandhaafd bij besluit van 24 mei 2012 (bestreden besluit 1), heeft de ISD de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2011 opgeschort, omdat appellant niet op het door hem opgegeven adres verbleef en niet duidelijk is waar hij heeft verbleven. Appellant is in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen door uiterlijk voor 2 januari 2012 controleerbare gegevens over zijn verblijfplaats te verstrekken. Appellant heeft zulke gegevens niet overgelegd.

1.4.1.

Bij besluit van 15 maart 2012 heeft de ISD de bijstand per 1 november 2011 beëindigd (ingetrokken) op de grond dat appellant niet binnen de gegeven hersteltermijn inzicht heeft verschaft over zijn verblijfplaats. Voorts heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 27 juli 2011 tot 1 november 2011 ingetrokken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.873,49 bruto van hem teruggevorderd. Hieraan ligt ten grondslag dat appellant geen inzicht heeft verschaft over zijn verblijfplaats in de periode van 27 juli 2011 tot 1 november 2011. Daarmee heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4.2.

Bij besluit van 13 september 2013 (bestreden besluit 2) heeft de ISD het bezwaar tegen het besluit van 15 maart 2012 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraken de beroepen ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking periode 27 juli 2011 tot 1 november 2011

4.1.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. Ook van iemand die stelt geen vast verblijfsadres te hebben kan worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaatsen.

4.2.

Appellant heeft betwist dat het recht op bijstand vanaf 27 juli 2011 niet kan worden vastgesteld. Appellant heeft gesteld dat hij vanaf die datum bij familie en kennissen in Assen heeft verbleven. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.3.

Appellant heeft in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting geen melding gemaakt van de verhuizing van adres A naar adres B per 27 juli 2011. Omdat vervolgens niet duidelijk is geworden waar appellant in de periode van 27 juli 2011 tot en met december 2011 wel heeft verbleven - appellant heeft ter zake geen controleerbare gegevens overgelegd - kan als gevolg van die schending het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Dit betekent dat aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat de ISD bevoegd was de bijstand van appellant over de periode van

27 juli 2011 tot 1 november 2011 in te trekken. Het beroep van appellant op artikel 20 van de Grondwet baat hem niet, omdat hij niet aan alle voorwaarden heeft voldaan om voor bijstand in aanmerking te komen.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, zodat de ISD bevoegd was de gemaakte kosten van bijstand van € 2.873,49 bruto van appellant terug te vorderen. Dat appellant vele jaren geen bijstand heeft gehad terwijl hij wel in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, betreft geen dringende reden op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien dan wel de terugvordering had moeten matigen.

Opschorting en intrekking per 1 november 2011

4.5.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de WWB kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten.

4.6.

Niet in geschil is dat de gevraagde gegevens over appellants verblijfplaats voor de vaststelling van het recht op bijstand noodzakelijke gegevens betreffen en dat het college ter zake van het overleggen daarvan niet een onredelijk korte termijn heeft geboden. Vaststaat dat appellant niet op het uitkeringsadres verbleef en heeft nagelaten controleerbare gegevens met betrekking tot zijn werkelijke verblijfplaats te overleggen. Hieruit vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, eerste lid, van de WWB is voldaan. Geen grond bestaat voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 november 2011 gebruik heeft kunnen maken.

4.7.

Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4.8.

Vaststaat dat appellant niet volledig de door het college verlangde informatie binnen de daartoe gestelde hersteltermijn heeft verstrekt, hoewel het college er in het evengenoemde besluit uitdrukkelijk op heeft gewezen dat dit verzuim zal kunnen leiden tot intrekking van de bijstand. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het niet volledig overleggen van de gevraagde gegevens hem niet kan worden verweten. Hiermee is gegeven dat ook aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB is voldaan. Het college was daarom bevoegd de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2011 in te trekken.

4.9.

Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.8 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd. Omdat het hoger beroep niet slaagt volgt uit artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat de verzoeken daartoe worden afgewezen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- wijst de verzoeken om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) O.P.L. Hovens

HD