Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2795

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
21-08-2014
Zaaknummer
12-5321 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering, minder dan 35% arbeidsongeschikt. De omstandigheid dat de bva de angststoornis niet als diagnose heeft vermeld leidt niet tot een ander oordeel over de juistheid van de beperkingen. Bij de vaststelling van de beperkingen voor het verrichten van arbeid is niet beslissend welke diagnose kan worden gesteld. De stelling dat de klachten mogelijk zijn gemaskeerd door de medicatie moet worden verworpen, nu de bva de beschikking heeft gehad over de gegevens van de door appellante gebruikte medicatie en er geen aanwijzingen zijn dat de bva deze mogelijkheid niet heeft onderkend. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5321 WIA

Datum uitspraak: 20 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 augustus 2012, 12/1064 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.A. Bouwman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2014. Appellante

is verschenen, bijgestaan door mr. Bouwman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H.B. Heij.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 23 oktober 2009 in verband met fysieke en psychische klachten uitgevallen vanuit haar functie van administratief medewerker/datatypiste voor ongeveer
20 uur per week. Op 29 augustus 2011 is appellante onderzocht door de verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft beperkingen aangenomen voor persoonlijk en sociaal functioneren en voor functioneren op het locomotore en op het energetische vlak. De verzekeringsarts heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft aan de hand van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) functies geselecteerd die appellante geacht wordt te kunnen verrichten. De mate van arbeidsongeschiktheid is op basis daarvan vastgesteld op minder dan 35%. Bij besluit van 20 oktober 2011 is vastgesteld dat appellante met ingang van 21 oktober 2011 geen recht heeft op uitkering op de grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft meer beperkingen aangenomen op de FML voor persoonlijk functioneren. De depressieve component van de klachten is onderbelicht gebleven. De bezwaarverzekeringsarts heeft aan de diagnose toegevoegd dat sprake is van een depressieve stoornis met angst en dwanghandelingen. In verband daarmee zijn beperkingen aangenomen voor storingen, onderbreking en hoog handelingstempo. Een beperking voor het vasthouden van de aandacht is toegevoegd, gelet op de aanwezigheid van een ernstige depressie. In verband met de energetische klachten zijn de frequentie- en duurbelasting aangescherpt op de onderdelen werken met toetsenbord en muis, frequent reiken en lopen tijdens het werk. De bezwaararbeidsdeskundige heeft aan de hand van het CBBS functies geselecteerd die appellante geacht wordt te kunnen verrichten. De mate van arbeidsongeschiktheid is op basis daarvan vastgesteld op minder dan 35%. Bij besluit van
31 januari 2012 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 oktober 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 31 januari 2012 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen voor persoonlijk functioneren heeft onderschat. De rechtbank volgt appellante niet in haar stelling dat een urenbeperking had moeten worden aangenomen. Toereikend is gemotiveerd dat met het aanscherpen van de toegestane frequentie en duurbelasting op enkele onderdelen van de FML voldoende is tegemoetgekomen aan de beperkingen op het energetische vlak. Er is geen aanleiding te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek. De rechtbank heeft overwogen dat de medische informatie door de bezwaarverzekeringsarts in de oordeelsvorming is betrokken en appellante in beroep geen medische stukken heeft overgelegd die een ander licht werpen op de belastbaarheid. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat de geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn.

3.

Appellante stelt zich op het standpunt dat onvoldoende beperkingen zijn aangenomen en dat zij gelet daarop, de geselecteerde functies niet kan verrichten. Appellante stelt dat ten onrechte geen urenbeperking en geen beperkingen voor concentreren, inzicht in eigen kunnen en gevoelens uiten zijn aangenomen.

4.

De Raad overweegt als volgt.

4.1.

Appellante heeft ter onderbouwing van haar stellingen erop gewezen dat op de datum in geding sprake was van een angststoornis en een ernstige depressie en dat haar klachten kunnen worden gemaskeerd door de medicatie. Verwezen is naar het rapport van
30 november 2011 van psychiater Den Bakker en de gegevens van PuntP, waar appellante psychologische behandeling heeft ontvangen. Gewezen is op de fibromyalgie en de pijnklachten. Uit de rapporten van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts en de aanwezige dossierstukken leidt de Raad af dat rekening is gehouden met de informatie van psychiater Den Bakker, waaronder de rapporten van 5 juni 2010 en 15 februari 2011 en de brief van 30 november 2011. Voorts is door de verzekeringsartsen het rapport van bedrijfsarts Huijberts en het rapport van de klinisch psycholoog van 20 mei 2011 in de beoordeling betrokken.

4.2.

De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport de diagnoses depressieve stoornis en somatisering opgenomen. Vermeld is voorts dat appellante lijdt aan pijnklachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft overwogen dat de depressieve stoornis met angst en dwanghandelingen dient te worden geaccentueerd met beperkingen ten aanzien van storingen/onderbrekingen en hoog handelingstempo en dat gelet op de ernstige depressie een beperking voor vasthouden van de aandacht geldt. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts de fysieke component van de beperkingen aangescherpt ten aanzien de frequentie en duurbelasting, mede als uitdrukking van de energetische component van de belastbaarheid. In verband daarmee ziet de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding voor een verdere beperking voor werktijden.

4.3.

Aannemelijk is dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig is geweest. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. Daaraan doet niet af dat de bezwaarverzekeringsarts bladzijde 2 van de brief van 30 november 2011 van psychiater
Den Bakker - mogelijk - pas in beroep heeft ontvangen, omdat de bezwaarverzekeringsarts al eerder beschikte over de rapporten van 5 juni 2010 en 15 februari 2011 van de psychiater en deze bladzijde niet van toegevoegde waarde is voor de beoordeling, in aanmerking genomen dat de informatie van de psychiater al in bezwaar aanleiding is geweest om meer beperkingen aan te nemen.

4.4.

De Raad volgt de bezwaarverzekeringsarts in zijn conclusie dat de - in hoger beroep overgelegde - informatie van PuntP geen gegevens bevat die eerder nog niet in de oordeelsvorming zijn betrokken. Zowel de klachten in verband met de ernstige depressie met angst en dwanghandeling als de klachten in verband met de somatisering zijn in bezwaar in de beoordeling betrokken en aanleiding geweest voor het aannemen van beperkingen. De omstandigheid dat de bezwaarverzekeringsarts de angststoornis niet als diagnose heeft vermeld leidt niet tot een ander oordeel over de juistheid van de beperkingen. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld, onder meer in zijn uitspraak van 29 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG3629, is bij de vaststelling van de beperkingen voor het verrichten van arbeid niet beslissend welke diagnose kan worden gesteld. De stelling dat de klachten mogelijk zijn gemaskeerd door de medicatie moet worden verworpen, nu de bezwaarverzekeringsarts de beschikking heeft gehad over de gegevens van de door appellante gebruikte medicatie en er geen aanwijzingen zijn dat de bezwaarverzekeringsarts deze mogelijkheid niet heeft onderkend.

4.5.

Appellante heeft gewezen op de conclusie van de bedrijfsarts dat er geen verdere mogelijkheden zijn tot re-integratie en de conclusie van klinisch psycholoog Van den Broek dat appellante niet tot loonvormende arbeid in staat is. Deze conclusies brengen niet mee dat onvoldoende beperkingen zijn vastgesteld. In het rapport van de klinisch psycholoog is niet aangegeven welke beperkingen zouden meebrengen dat appellante niet tot loonvormende arbeid in staat is en op welke gronden deze beperkingen zouden moeten worden aangenomen. Voorts is van belang dat de onderzoeken van de bedrijfsarts en de klinisch psycholoog zijn gericht op het beoordelen van de mogelijkheden van appellante en de inspanningen van appellante en haar werkgever om (binnen 104 weken nadat appellante is uitgevallen) tot werkhervatting te komen. De onderzoeken zijn niet gericht op het beoordelen van de beperkingen voor het verrichten van gangbare arbeid na 104 weken ongeschiktheid van appellante voor haar werk. Om deze reden leiden ook de door de bedrijfsarts geformuleerde beperkingen, die bij werkhervatting in acht moeten worden genomen, niet tot twijfel aan de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde beperkingen.

4.6.

De brieven van 6 en 15 oktober 2010 van de revalidatiearts, waarin is geconcludeerd dat appellante in aanmerking komt voor een revalidatietraject, leiden evenmin tot twijfel aan de vastgestelde beperkingen. Deze informatie dateert van ruim een jaar vóór de datum in geding en er is geen reden aan te nemen dat deze informatie niet verenigbaar zou zijn met de beperkingen.

4.7.

De bezwaararbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellante blijven. Appellante heeft deze conclusie niet bestreden, anders dan door te stellen dat de belasting in de functies de door haar voorgestane (extra) beperkingen overschrijdt. Nu hiervoor is geconcludeerd dat er geen aanleiding is te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen, behoeft deze stelling geen bespreking. De Raad volgt de conclusie van de rechtbank dat er geen reden is voor twijfel aan de geschiktheid van de voor appellante geselecteerde functies. Aannemelijk is dat appellante met haar beperkingen in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te verrichten.

4.8.

Terecht is vastgesteld dat appellante met ingang van 21 oktober 2011 geen recht heeft op uitkering. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2014.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) D. Heeremans

RK