Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:279

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
12-5495 AKW
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:1399
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5495 AKW

Datum uitspraak: 31 januari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

3 september 2012, 12/250 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] Marokko (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2013. Appellant is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich met kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in het verleden in Nederland werkzaam geweest en is naar Marokko teruggekeerd. Volgens appellant heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in 2007 met ingang van 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan hem toegekend.

1.2. Appellant heeft in mei 2008 een aanvraag om toekenning van kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ingediend bij de Svb ten behoeve van zijn drie kinderen geboren in 2001, 2002 en 2007.

1.3. Bij besluit van 29 mei 2008 heeft de Svb aan appellant medegedeeld dat hij met ingang van het tweede kwartaal van 2007 geen recht heeft op kinderbijslag, omdat hij niet verzekerd is ingevolge de AKW. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 juli 2008 ongegrond verklaard.

1.4. Appellant heeft in augustus 2011 een verzoek om herziening ingediend bij de Svb.

1.5. Bij besluit van 8 september 2011 heeft de Svb dit verzoek afgewezen. Daarbij is overwogen dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangedragen die de Svb aanleiding hadden moeten geven om het besluit van 29 mei 2008 te herzien.

1.6. Naar aanleiding van het tegen het besluit van 8 september 2011 gemaakte bezwaar heeft de Svb bij brief van 25 oktober 2011 de motivering van dat besluit gewijzigd. De Svb is nader van mening dat appellant vanaf het derde kwartaal van 2010 geen recht heeft op kinderbijslag omdat hij niet als verzekerde ingevolge de AKW kan worden beschouwd en ook niet één van de bepalingen van het Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen 1999 van 24 december 1998, Stb. 746 (KB 746) op hem van toepassing is.

1.7. Bij beslissing op bezwaar van 12 december 2011 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 8 september 2011 ongegrond verklaard. Na kennisneming van het arrest van de Hoge Raad van 8 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4794), waarbij de Hoge Raad voor de toepassing van KB 746 een theoretisch recht op kinderbijslag bepalend heeft geacht, heeft de Svb in het bijzonder overwogen dat appellant over het vierde kwartaal van 1999 geen theoretisch recht op kinderbijslag had omdat hij in dat kwartaal geen kinderen had die jonger waren dan 18 jaar. Hierdoor is appellant niet verzekerd vanaf het derde kwartaal van 2010.

2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij recht heeft op kinderbijslag omdat hij een WAO-uitkering ontvangt.

4.1.

De Raad overweegt het volgende.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of de Svb terecht heeft geweigerd kinderbijslag aan appellant toe te kennen op de grond dat hij niet verzekerd is krachtens de AKW.

4.3.

Vastgesteld kan worden dat appellant over het vierde kwartaal van 1999 geen recht had op kinderbijslag omdat hij geen kinderen had die jonger waren dan 18 jaar. De Svb heeft appellant terecht niet verzekerd geacht in de zin van artikel 27 van KB 746 en hij kan ook geen aanspraak ontlenen aan het per 1 januari 2006 in werking getreden artikel 7c van de AKW.

4.4.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 en 4.3 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2014.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) S. Aaliouli

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip kring van verzekerden.

HD