Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2786

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2014
Datum publicatie
19-08-2014
Zaaknummer
13-4021 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag functieonderhoud.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/4021 AW

Datum uitspraak: 7 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 juni 2013, 13/316 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Brabant Zuid-Oost (korpsbeheerder), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellant heeft mr. N.D. Dane, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dane. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.H. Janssen, drs. G.I. Johanns en G.J.A.M. van de Ven.

OVERWEGINGEN

1.1. In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008-2010 is onder meer afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Er is een stelsel van ongeveer 100 organieke functies met daarbij behorende functiebenamingen ontwikkeld, voorzien van een waardering per organieke functie. Op basis van matching wordt een vertaalslag gemaakt van de oude naar de nieuwe functies, inclusief de bijbehorende waardering. Dit geheel wordt aangeduid als het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP). Invoering van het LFNP geschiedt in twee stappen. De eerste stap is de vaststelling van de uitgangspositie(s) van de ambtenaar in de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011. In dit verband worden de uitgangspositie(s) omschreven als: de functie(s) en in samenhang daarmee de functiebeschrijving(en) en/of de schriftelijk opgedragen werkzaamheden en/of bijzondere situaties (zoals outplacement) van een ambtenaar op enig moment vanaf 31 december 2009, zoals vastgelegd in een besluit of in besluiten. Met het oog op het bepalen van de uitgangspositie(s) wordt aan alle ambtenaren een voorgenomen besluit uitgangspositie(s) gezonden. Daarin wordt onder meer gewezen op de mogelijkheid om eenmalig functieonderhoud aan te vragen op de wijze zoals omschreven in artikel 3 van de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie (Trfp). Toegekend functieonderhoud is van invloed op de uitgangspositie. De tweede stap is de feitelijke matching van de uitgangspositie(s) van de ambtenaar met een functie uit het LFNP.

1.2. Appellant was aangesteld in de functie van Senior Tactische Recherche Gezamenlijke Recherche (STR). Deze functie is gewaardeerd op salarisschaal 8.

1.3. Op 20 april 2011 heeft de korpschef de uitgangspositie van appellant in het kader van het LFNP (in principe) bepaald op: STR. Appellant heeft naar aanleiding hiervan een aanvraag om functieonderhoud ingediend. Bij besluit van 29 mei 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 december 2012 (bestreden besluit), heeft de korpschef dit verzoek afgewezen op de grond dat er geen discrepantie bestaat tussen de door appellant benoemde werkzaamheden en de opgedragen werkzaamheden.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Artikel 6, negende lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp), zoals dat ten tijde in geding voor betrokkene gold, luidt als volgt: De ambtenaar kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om, indien de feitelijke opgedragen werkzaamheden ten minste één jaar afwijken van een hem in de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 opgedragen functie, de werkzaamheden en de functie met elkaar in overeenstemming te brengen. Bij ministeriële regeling worden regels vastgesteld over de behandeling van deze aanvraag.

3.2.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de - op artikel 6, negende lid, van het Bbp

gebaseerde - Trfp maakt de ambtenaar in de aanvraag tot functieonderhoud bedoeld in

artikel 6, negende lid, van het Bbp, aannemelijk dat hij gedurende ten minste een jaar op enig moment binnen de referteperiode feitelijk opgedragen werkzaamheden heeft verricht die wezenlijk afwijken van de voor hem geldende functie en in samenhang daarmee de voor hem geldende functiebeschrijving.

3.3.

Op grond van artikel 4, aanhef en onder c, van de Trfp wijst het bevoegd gezag de aanvraag om functieonderhoud af indien de feitelijke werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Trfp niet wezenlijk afwijken van de functie van de ambtenaar en in samenhang daarmee van de voor hem geldende functiebeschrijving.

3.4.

Appellant heeft aangevoerd dat hij voornamelijk complexe onderzoeken uitvoert en dat dit gegeven in de rubriek “Kern van de functie” in de functiebeschrijving STR had behoren te worden opgenomen. De Raad stemt hier niet mee in. Niet in geding is dat appellant (ook) complexe opsporingsonderzoeken uitvoert, maar niet is gebleken dat dit in zo’n omvang en onder zodanige omstandigheden gebeurt dat dit noopt tot opneming onder “Kern van de functie”. Zoals in de aangevallen uitspraak genoegzaam is uiteengezet, is in de functiebeschrijving op verscheidene plaatsen tot uitdrukking gebracht dat de werkzaamheden mede bestaan uit het uitvoeren van complexe onderzoeken. Hiermee is voldoende recht gedaan aan de werkzaamheden van appellant op dit punt. Voor zover appellant heeft verwezen naar (de inhoud van) de functiebeschrijving van de Professional Tactische Recherche (PTR), verdient opmerking dat het bij functieonderhoud niet (zozeer) gaat om een vergelijking met andere functiebeschrijvingen maar om de vraag of de feitelijk verrichte en ook opgedragen taken van betrokkene wezenlijk afwijken van de beschrijving van zijn eigen functie. Bovendien is de functie PTR een referentiefunctie die als zodanig niet voorkwam in de voormalige politieregio waarin appellant werkzaam was.

3.5.

Appellant heeft verder gesteld dat hij belast is met het zelfstandig opstellen van onderzoeksplannen en dat dit met de enkele vermelding in de functiebeschrijving dat hij bij het opstellen van onderzoeksplannen ondersteuning verleent, niet tot uitdrukking is gebracht.

Vanwege de korpschef is hierover naar voren gebracht dat voor zover appellant zelfstandigheid is verleend bij het opstellen van onderzoeksplannen, dit gebeurde in het kader van een leertraject. Appellant werd daarbij begeleid. Daarmee is beoogd appellant gelegenheid te geven zich te bewijzen en zich te ontwikkelen naar de vervulling van een hoger gewaardeerde functie. Gezien deze toelichting wordt geoordeeld dat de functiebeschrijving ook op dit onderdeel als correct moet worden beschouwd.

3.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4.

Voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2014.

(getekend) B.J. van de Griend

De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD