Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2784

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2014
Datum publicatie
19-08-2014
Zaaknummer
12-6832 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dienstongeval. Knieletsel. Volledige vergoeding reiskosten in verband met de geneeskundige behandelingen in het OLV Gasthuis te Amsterdam en in verband met zijn fysiotherapeutische behandelingen bij het KNVB Sportmedisch Centrum te Zeist: De korpschef heeft de onderbouwde stelling van appellant dat de reiskosten waarop de aanvraag ziet noodzakelijk zijn gemaakt, onvoldoende gemotiveerd betwist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6832 AW

Datum uitspraak: 7 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 19 november 2012, 10/1928 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Utrecht (korpsbeheerder), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

Namens appellant heeft mr. M.H. Welter hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft bij brief van 10 juni 2014 dit verweerschrift ingetrokken en een ander verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2014. Appellant is verschenen bijgestaan door mr. Welter. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.M.C. de Haan.

OVERWEGINGEN

1.1. In 1978 heeft appellant als gevolg van een ongeval tijdens een sportles op de politieschool knieletsel opgelopen. Dit ongeval is door de korpschef in een vaststellingsovereenkomst tussen partijen van 10 december 2004 aangemerkt als een dienstongeval. In die overeenkomst is daarnaast de bepaling opgenomen dat appellant zo mogelijk vooraf over de kosten die verband houden met het herstel van zijn knie met de korpschef zal overleggen en dat er afspraken moeten worden gemaakt om te bezien of niet medische kosten in verband met het herstel van de knie kunnen worden vergoed.

1.2. Naar aanleiding van dit dienstongeval heeft appellant op 17 juni 2009 verzocht om vergoeding van de door hem in de jaren 2006 tot en met 2008 gemaakte reiskosten in verband met zijn geneeskundige behandelingen in het OLV Gasthuis te Amsterdam en in verband met zijn fysiotherapeutische behandelingen bij het KNVB Sportmedisch Centrum te Zeist (reiskosten). Bij besluit van 24 november 2009, voor zover van belang, heeft de korpschef de aanvraag om vergoeding van de reiskosten afgewezen.

1.3. Bij besluit van 4 mei 2010 (bestreden besluit) heeft de korpschef het bezwaar tegen het besluit van 24 november 2009 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover daarbij vergoeding van de reiskosten is afgewezen en bepaald dat de korpschef een bedrag van 75% van de reiskosten vergoedt. De rechtbank heeft overwogen dat de aanvraag van 17 juni 2009 is gedaan op grond van

artikel 54 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), dat de korpschef de medische noodzaak van de (geneeskundige) behandeling heeft erkend en dat de korpschef die aanvraag niet had mogen afwijzen. Volgens de rechtbank biedt de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 54 van het Barp aanknopingspunten voor het standpunt van de korpschef dat op grond daarvan slechts de kosten van een geneeskundige behandeling als zodanig worden vergoed. Ten aanzien van de hoogte van de gevraagde vergoeding heeft de rechtbank overwogen dat appellant, alvorens de reiskosten te maken, hiervoor -in strijd met de eerder tussen hem en de korpschef gemaakte afspraken- niet vooraf toestemming heeft gevraagd aan de korpschef. Daarmee is de korpschef de mogelijkheid onthouden om (enige) invloed uit te oefenen op bijvoorbeeld het reisgedrag van appellant. Daartegenover staat dat de korpschef niet heeft gesteld dat de door appellant geclaimde hoogte van de vergoeding per kilometer onredelijk is. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat de korpschef geen beleid heeft vastgesteld ter uitvoering van het bepaalde in artikel 54 van het Barp, waarin bijvoorbeeld de hoogte van een redelijke vergoeding per kilometer is vastgesteld. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank een volledige vergoeding van de reiskosten niet redelijk en heeft zij in goede justitie bepaald dat een bedrag van 75% van de reiskosten voor vergoeding in aanmerking komt.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij is bepaald dat de korpschef een bedrag van 75% van de reiskosten vergoedt. Volgens appellant bestaat geen aanleiding om de vergoeding van de reiskosten te matigen. Artikel 54 van het Barp schrijft een volledige vergoeding van kosten voor zonder verdere voorwaarden. Verder heeft appellant aangevoerd dat, indien hij vooraf zijn behandelingen had gemeld, de korpschef zijn reisgedrag niet had kunnen beïnvloeden. Hij merkt in dit verband op dat de fysiotherapeutische behandeling die hij nodig had uitsluitend bij het KNVB Sportmedisch Centrum te Zeist beschikbaar was.

3.2.

In zijn verweerschrift van 10 juni 2014 heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat de matiging van de vergoeding van de reiskosten redelijk is omdat appellant in strijd met de afspraken zoals neergelegd in de vaststellingsovereenkomst van 10 december 2004 de reiskosten niet vooraf met hem heeft besproken. Omdat in die vaststellingsovereenkomst is bepaald dat er afspraken moeten worden gemaakt over niet-medische kosten in verband met het knieletsel van appellant en die nadere afspraken niet tot stand zijn gekomen, mocht appellant er niet van uitgaan dat de reiskosten onvoorwaardelijk en onbeperkt zouden worden vergoed. Door zijn handelen heeft appellant de korpschef de mogelijkheid ontnomen om invloed uit te oefenen op de gemaakte kosten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van het Barp worden ingeval van dienstongeval of beroepsziekte aan de desbetreffende ambtenaar vergoed de noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.

4.2.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het standpunt van de korpschef dat op grond van artikel 54 van het Barp slechts kosten van een geneeskundige behandeling als zodanig worden vergoed niet juist is en dat de korpschef de op dat artikel gestoelde aanvraag van appellant om vergoeding van de reiskosten niet had mogen afwijzen. Dat oordeel is in hoger beroep niet bestreden. In hoger beroep staat uitsluitend ter beoordeling of de rechtbank terecht heeft bepaald dat de reiskosten niet volledig, maar slechts voor 75% moeten worden vergoed.

4.3.

Artikel 54, eerste lid, van het Barp is een wettelijk voorschrift van imperatieve aard. Indien aan de voorwaarden voor toepassing ervan is voldaan, moeten de desbetreffende kosten volledig worden vergoed. Anders dan de korpschef en de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat artikel 54, eerste lid, van het Barp geen ruimte biedt voor een matiging van de vergoeding van de door appellant gemaakte reiskosten op de grond dat volledige vergoeding van die kosten niet redelijk is. Dat appellant in afwijking van de vaststellingsovereenkomst van 10 december 2004 niet vooraf met de korpschef over de reiskosten heeft overlegd maakt dat niet anders.

4.4.

Wel kent artikel 54, eerste lid, van het Barp de voorwaarde dat de kosten van geneeskundige behandeling of verzorging noodzakelijk zijn gemaakt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef de medische noodzaak van de (geneeskundige) behandeling heeft erkend. Dat oordeel is in hoger beroep niet bestreden, zodat daarvan moet worden uitgegaan. Daarmee is tevens de noodzaak van de frequentie van de behandelingen gegeven. Dit betekent echter op zichzelf nog niet dat de voor die behandelingen gemaakte reiskosten noodzakelijk zijn gemaakt.

4.5.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat reiskosten waarop de aanvraag ziet noodzakelijk zijn gemaakt. Ter zitting van de Raad heeft de korpschef betoogd dat, gelet op de omstandigheid dat pas in 2009 om vergoeding van de reiskosten over de periode 2006 tot en met 2008 is gevraagd, niet meer kan worden vastgesteld of die reiskosten noodzakelijk zijn gemaakt. Er bestaat in de eerste plaats onduidelijkheid over de vraag of de behandelingen die appellant in die jaren heeft ondergaan dichter bij zijn woonplaats konden worden gegeven. Ook is niet duidelijk geworden of het vervoer per auto voor appellant aangewezen was of dat er goedkopere alternatieve vervoermogelijkheden bestonden waarvan appellant gebruik kon maken.

4.6.

Het onder 4.5 weergegeven betoog van de korpschef wordt niet gevolgd. In de eerste plaats is van belang dat appellant onbetwist heeft gesteld dat tot de zitting van de Raad de plaats waar hij de behandelingen onderging en wijze van vervoer naar de plaats van behandeling nooit punten van discussie zijn geweest. Verder heeft appellant gesteld dat hij nog steeds in verband met zijn knieklachten fysiotherapeutische behandelingen bij het KNVB Sportmedisch Centrum te Zeist ondergaat en dat de korpschef, sinds de rechtbank uitspraak heeft gedaan, de kosten van vervoer per auto naar dat centrum voor de volle 100% vergoedt. Ter zitting van de Raad heeft de korpschef dit bevestigd. Voorts heeft de korpschef verklaard dat niet is onderzocht of de in het genoemde centrum geboden behandelingen niet dichter bij de woonplaats van appellant kunnen worden geboden. Evenmin is onderzocht of appellant op een goedkopere manier dan met zijn eigen auto naar de plaats van behandeling zou kunnen reizen. De korpschef heeft ten slotte verklaard dat hij ook niet van plan is daarnaar een onderzoek in te stellen. Gelet op het voorgaande heeft de korpschef de onderbouwde stelling van appellant dat de reiskosten waarop de aanvraag ziet noodzakelijk zijn gemaakt, onvoldoende gemotiveerd betwist en gaat de Raad van de juistheid van die stelling uit. Dat betekent dat die reiskosten voor volledige vergoeding in aanmerking komen.

4.7.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking voor zover deze is aangevochten. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Hij zal het besluit van 24 november 2009 herroepen, voor zover de aanvraag om vergoeding van de reiskosten is afgewezen en bepalen dat korpschef die reiskosten volledig aan appellant vergoedt.

5.

Aanleiding bestaat de korpschef op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. De kosten worden begroot op een bedrag van € 974,- voor kosten van rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- willigt de aanvraag van 17 juni 2009 om een volledige vergoeding van reiskosten in;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het door de rechtbank

vernietigde gedeelte van het besluit van 4 mei 2010;

- bepaalt dat de korpschef het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 232,- aan appellant

vergoedt;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag

van € 974,-

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2014.

(getekend) B.J. van de Griend

De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD