Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2781

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
13-1882 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing bijstandsaanvraag omdat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van de aanvraag woonachtig was op het door hem opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1882 WWB

Datum uitspraak: 19 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

5 maart 2013, 12/2040 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van De Friese Meren, als rechtsopvolger van Skarsterlân (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Issa, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Issa. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Hulzinga. Als tolk was aanwezig O.M. Kimukedi Mitaku.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 12 maart 2012 gemeld bij WERKbedrijf Heerenveen voor het doen van een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant heeft hierbij opgegeven te wonen op het adres [adres] te [J.]. Tijdens het intakegesprek op 22 maart 2012 bleek dat appellant bij de aanvraag een bankrekening had verzwegen. Toen de rapporteur appellant op het bestaan van deze bankrekening had gewezen, deelde appellant de rapporteur mee dat hij deze bijna nooit gebruikte. Onderzoek naar de ingeleverde afschriften van deze bankrekening wees daarentegen juist op een frequent gebruik van deze rekening. Uit een nadere analyse van beide bankrekeningen van appellant kwam tevens naar voren dat appellant over de periode van 29 december 2011 tot en met 10 maart 2012, op een pintransactie (op 14 februari 2012, een bedrag van € 9,68) na, in de gemeente [J.] geen uitgaven voor boodschappen heeft gedaan. Verder viel het de rapporteur op dat appellant in genoemde periode vrij frequent heeft gepind in de provincie Limburg en daarnaast in de plaatsten Antwerpen, Emmeloord en Drachten.

1.2.

Appellant is vervolgens uitgenodigd voor een nader gesprek op 3 april 2012 en is gevraagd bewijs te leveren van het feit dat hij boodschappen doet in de gemeente Skarsterlân. Op deze afspraak is appellant zonder bericht niet verschenen. Op 4 april 2012 is wel een ongedateerde brief van appellant op het gemeentehuis afgegeven, waarin hij schrijft dat hij bonnetjes heeft gezocht, maar niets heeft gevonden. Op 11 april 2012 heeft een vervolggesprek met appellant plaatsgevonden. Daarin heeft appellant meegedeeld dat hij een partner heeft in België, met wie hij samen een kind heeft. Dat zou de reden zijn van de pintransacties in Limburg en België. Over de pintransacties in Drachten en Emmeloord heeft appellant verklaard dat hij overal in Nederland solliciteert en kennissen en vrienden heeft om bij te logeren. Daarom heeft hij ook geen kosten voor levensonderhoud. Ter ondersteuning daarvan heeft appellant een tweetal kassabonnen van 5 april 2012 van Jumbo supermarkten en van de Aldi in [J.] overgelegd. Aansluitend aan dit gesprek heeft een huisbezoek plaatsgevonden. Nadien heeft appellant nog een tweetal kassabonnen ingeleverd, beide van aankopen in de Jumbo supermarkten te [J.] op 16 en 17 april 2012. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een ongedateerd rapport.

1.3.

Bij besluit van 23 april 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 juli 2012 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van de aanvraag woonachtig was op het door hem opgegeven adres [adres] te [J.], gemeente Skarsterlân (uitkeringsadres) met als gevolg dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft - kort samengevat - aangevoerd dat de aangevallen uitspraak is gebaseerd op onjuiste feiten. Van een schending van de inlichtingenverplichting is geen sprake. Ook heeft het college in strijd met het bepaalde in artikel 7:13, zevende lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onvoldoende gemotiveerd waarom het bestreden besluit afwijkt van het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand tot en met de datum van het besluit op de aanvraag. Dit betekent dat de te beoordelen periode in dit geval loopt van 12 maart 2012 tot en met 23 april 2012.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren en zo nodig te verifiëren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand, indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college op grond van de onderzoeksbevindingen, zoals neergelegd in het hiervoor in 1.1 genoemde rapport, terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn woon- en leefsituatie ten tijde van belang, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De Raad verwijst naar de hiervoor in 1.1 vermelde feiten en omstandigheden. Met name zijn van belang de aanvankelijk verzwegen bankrekening, het gebleken frequent gebruik daarvan, het gebruik van de pinpas buiten de gestelde woonplaats van betrokkene en het zonder reden niet verschijnen op de afspraak op 3 april 2012. Voorts is van belang dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag om bijstand of in de periode vanaf de aanvraag inkopen voor dagelijks levensonderhoud heeft gedaan in de gemeente Skarsterlân. De nadien overgelegde kassabonnen zijn onvoldoende om aannemelijk te achten dat dit in de periode vanaf de aanvraag tot en met 23 april 2012 anders is geweest. Verder is van belang de verklaring van appellant ter zitting van de Raad dat hij drie dagen in de week bij een vriend in Kerkrade verbleef en van daaruit in het weekeinde op bezoek ging bij zijn kind in Antwerpen, waarna hij terugging naar [J.].

4.4.

Ten slotte kan appellant niet worden gevolgd in zijn betoog dat het college heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7:13, zevende lid, van de Awb. De Raad onderschrijft wat de rechtbank daarover in overweging 7 van de aangevallen uitspraak heeft overwogen en maakt dit oordeel tot het zijne.

4.5.

Wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, leidt tot de conclusie dat appellant onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt omtrent zijn woon- en leefsituatie. Daarmee is hij tekort geschoten in de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting. Aangezien inzicht in de feitelijke woon- en leefsituatie van essentieel belang is, kan als gevolg hiervan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het college heeft de aanvraag om bijstand van 12 maart 2012 terecht afgewezen.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten betstaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) O.P.L. Hovens

HD