Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2775

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
13-2072 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing herhaalde bijstandsaanvragen. Onduidelijke woon- en leefsituatie. Onduidelijke financiële situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2072 WWB, 13/4832 WWB, 13/6592 WWB

Datum uitspraak: 19 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland van 7 maart 2013, 12/3521 (aangevallen uitspraak 1), van 23 juli 2013, 13/99 (aangevallen uitspraak 2) en van 20 november 2013, 13/3408 (aangevallen uitspraak 3)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.T.W. van Dijk, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2014. Namens appellant is verschenen mr. S.J. Koolen, advocaat en kantoorgenoot van mr. Van Dijk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.1. Op 2 mei 2012 heeft appellant zich gemeld om bijstand aan te vragen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op het aanvraagformulier, gedagtekend 7 juni 2012 (eerste aanvraag), heeft appellant vermeld dat hij een woning huurt op het adres [adres] te Utrecht (opgegeven adres), dat de huurprijs € 646,20 bedraagt en dat er nog twee andere bewoners op zijn adres wonen, te weten “[M.] en zijn vrouw”. Bij brief van 15 juni 2012 heeft appellant diverse door het college opgevraagde documenten en gegevens ingezonden.

1.1.2. Tijdens een telefoongesprek op 22 juni 2012 met een medewerker van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling, Werk en Inkomen van de gemeente Utrecht (Dienst) heeft appellant onder meer verklaard dat twee volwassenen en een kind van 15 jaar oud bij hem in huis wonen, dat deze mensen hem geen huur betalen, dat op zijn bankrekening beslag is gelegd, dat hij de huur per kas stort op de bankrekening van de onderhuurder en dat de onderhuurder de huur vervolgens overmaakt naar de woningbouwvereniging.

1.1.3. Naar aanleiding van deze informatie heeft de Dienst een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellant. In dat kader heeft op 12 juli 2012 op het kantoor van de Dienst een gesprek plaatsgevonden tussen appellant en twee medewerkers van de Dienst. Uit het gespreksverslag komt naar voren dat appellant tijdens het gesprek vragen over zijn woonsituatie niet wilde beantwoorden, dat hij door de vragen heen bleef praten, dat hem een hersteltermijn van 15 minuten is gegeven om medewerking te verlenen aan het gesprek en dat appellant toen is vertrokken.

1.1.4. Bij besluit van 13 juli 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 september 2012 (bestreden besluit 1), heeft het college de eerste aanvraag afgewezen. Aan het bestreden besluit 1 is ten grondslag gelegd dat appellant, door tijdens het gesprek op 12 juli 2012 weg te gaan, heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek naar zijn woon- en leefsituatie en onvoldoende openheid heeft gegeven over die situatie. Appellant heeft daarmee niet voldaan aan zijn wettelijke medewerkings- en inlichtingenverplichting. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.2.1. Op 27 september 2012 heeft appellant zich opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen. Op het aanvraagformulier, gedagtekend 2 oktober 2012 (tweede aanvraag), heeft appellant vermeld dat hij vanaf januari 2011 geen inkomen heeft, dat hij een woning huurt op het opgegeven adres voor € 676,- per maand (woning), dat er sinds 11 september 2009 nog twee andere bewoners op dit adres wonen, te weten “Hr. [M.] en zijn vrouw mw. [M.]”, en dat hij een schuld van € 409,- heeft aan zijn ziektekostenverzekeraar.

1.2.2. Omdat er bij de Dienst onduidelijkheid bestond over de woonsituatie van appellant, hebben handhavingsspecialisten van de Dienst een onderzoek ingesteld. In dat kader hebben de handhavingsspecialisten op 26 oktober 2012 een gesprek met appellant gevoerd en aansluitend aan dat gesprek een huisbezoek afgelegd aan het opgegeven adres.

1.2.3. Tijdens het gesprek op 26 oktober 2012 heeft appellant onder meer het volgende verklaard. Op het opgegeven adres wonen ook nog een man, een vrouw en twee kinderen. Dit zijn bekenden van een vriend van appellant. De woning heeft twee slaapkamers, waarvan de ene wordt gebruikt door de man, de vrouw en het jongste kind en de andere door appellant. Het oudste kind slaapt in de woonkamer op de bank. De mensen die op het opgegeven adres verblijven, betalen geen huur. Appellant heeft geen andere eigendommen in de woning dan de spullen in de slaapkamer die hij in gebruik heeft. Hij heeft € 3.000,- contant geleend van zijn zoon. Dit bedrag heeft hij in juni 2012 ontvangen. Appellant heeft afgesproken dat hij zijn zoon terugbetaalt als hij zijn zaakjes heeft geregeld. Als appellant iets moet betalen, dan stort hij wat geld op zijn bankrekening.

1.2.4. In het verslag van het huisbezoek is onder meer het volgende opgenomen. In de slaapkamer die appellant aanwees als de kamer die hij in gebruik had, bevond zich een hoogslaper, die volgens appellant wordt gebruikt door eventuele logees, een eenpersoonsbed, voorzien van een dekbed met overtrek van een universiteit, twee kasten en een kapstok. De kleding in de hoge kast, bestaande uit spijkerbroeken en T-shirts, was kleurrijk. Appellant droeg een pantalon, een blouse en een colbert. Aan de kapstok hing een herenpantalon, een blouse en een jas. Appellant verklaarde dat alleen het eenpersoonsbed van hem was. De rest van de meubels in de slaapkamer en in de rest van de woning was van het inwonende gezin. Gevraagd naar zijn administratie toonde appellant in de ladekast diverse mappen met administratie van zijn bedrijf dat failliet is gegaan. Gevraagd naar recente administratie, verklaarde appellant dat hij een blauw mapje met recente stukken bij zich draagt en dat hij al zijn post direct doorstuurt naar zijn advocaat. Een scheermesje en een tandenborstel waren de enige spullen van appellant in de badkamer. In de keuken stonden op het aanrecht diverse etenswaren voor vier personen.

1.2.5. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 6 november 2012.

1.2.6. Bij besluit van 6 november 2012 heeft het college de tweede aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling gesteld.

1.2.7. Bij besluit van 20 december 2012 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 november 2012 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en de tweede aanvraag alsnog afgewezen. Aan deze afwijzing heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Gelet op de bevindingen van het huisbezoek is het niet aannemelijk dat appellant zijn hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres. Appellant heeft de herkomst van de stortingen op zijn bankrekening niet aannemelijk gemaakt en niet aangetoond dat hij

€ 3.000,- contant heeft geleend van zijn zoon. De door appellant overgelegde schriftelijke verklaring van zijn zoon is daarvoor ontoereikend. Er blijft onduidelijkheid bestaan over de financiële situatie van appellant. Zo is niet gebleken dat appellant betalingsachterstanden heeft ten aanzien van bijvoorbeeld de betaling van huur, gas, water en licht. Door over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie onvoldoende informatie te verstrekken, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan is het recht op bijstand niet vast te stellen.

1.3.1. Op 22 november 2012 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd (derde aanvraag). Omdat bij de Dienst nog steeds onduidelijkheid bestond over de woonsituatie van appellant, hebben handhavingsspecialisten van de Dienst wederom een onderzoek ingesteld. In dat kader is geprobeerd een huisbezoek af te leggen aan het opgegeven adres.

1.3.2. Over de gang van zaken rond de pogingen een huisbezoek af te leggen is in het onderzoeksrapport van 6 februari 2013 onder meer het volgende vermeld. Op (vrijdag) 1 februari 2013, om 8.00 uur, hebben twee handhavingsspecialisten van de Dienst geprobeerd een huisbezoek af te leggen. Zij werden toegelaten tot de woning door mevrouw Messaoudi (M), die desgevraagd verklaarde dat appellant niet thuis was. M nodigde de handhavingsspecialisten uit om binnen te komen en plaats te nemen en zei dat ze haar man zou bellen om appellant te gaan zoeken. Omstreeks 8.30 uur kwam appellant de woning binnen. De handhavingsspecialisten legitimeerden zich en deelden het doel van hun komst mee, te weten het doen van een onderzoek in verband met de bijstandsaanvraag van appellant. Appellant begon toen te tieren en te schelden. De handhavingsspecialisten maakten daarop direct aanstalten om weg te gaan. Tijdens het verlaten van de woning heeft één van de handhavingsspecialisten meegedeeld dat hij een formulier hersteltermijn onder de deur naar binnen zou schuiven. Bij dat formulier, dat onder de toegangsdeur tot de woning naar binnen is geschoven, is aan appellant een hersteltermijn van vijf minuten gegeven, in verband met zijn weigering medewerking te verlenen aan een onderzoek naar zijn woonsituatie in de woning. Appellant opende na enige tijd de voordeur. Appellant begon direct weer te tieren en schelden in bewoordingen dat de handhavingsspecialisten moesten opdonderen. Daarop heeft één van de handhavingsspecialisten tegen appellant gezegd dat hij kennelijk het formulier hersteltermijn had gezien en dat uit zijn bewoordingen werd opgemaakt dat appellant niet wilde meewerken aan een huisbezoek. Omdat de hersteltermijn inmiddels was verstreken, zijn de handhavingsspecialisten vertrokken.

1.3.3. Bij besluit van 8 februari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 2 juli 2013 (bestreden besluit 3), heeft het college de derde aanvraag afgewezen. Aan deze afwijzing is ten grondslag gelegd dat appellant, door niet mee te werken aan het huisbezoek op 1 februari 2013, de op hem rustende wettelijke medewerkingsverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2.

Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn financiële situatie en over zijn woon- en leefsituatie te verschaffen, omdat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2.

Vaststaat dat de woning twee slaapkamers en een woonkamer heeft en dat sinds september 2009 de woning - in ieder geval - wordt bewoond door het echtpaar Messaoudi en hun twee kinderen.

Aangevallen uitspraak 1 (eerste aanvraag)

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat hij al voldoende duidelijkheid had verschaft over zijn woon- en leefsituatie, en dat hij tijdens het gesprek op 12 juli 2012 nog heeft uitgelegd hoe zijn woonsituatie is. Deze beroepsgrond slaagt niet. Directe aanleiding om appellant op te roepen voor een gesprek op 12 juli 2012 was de door appellant op 22 juni 2012 telefonisch verstrekte informatie, zoals weergegeven in 1.1.2. Op basis daarvan was bij de Dienst - terecht - twijfel gerezen over de woon- en leefsituatie van appellant. Om die reden diende appellant tijdens het gesprek op

12 juli 2012 nadere informatie te verstrekken over zijn woon- en leefsituatie. Vaststaat dat appellant geen antwoord heeft gegeven op vragen die daarop betrekking hadden, dat hij boos is geworden, dat hem om die reden een hersteltermijn is gegeven en dat appellant toen is vertrokken. Door te vertrekken heeft appellant de voor het vaststellen van het recht op bijstand relevante vragen onbeantwoord gelaten. Hieruit volgt dat appellant de op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat het voor hem niet duidelijk was welke informatie hij tijdens het gesprek nog diende te verstrekken en ook niet waarom dat nodig was, zodat hij niet kon inschatten of zijn medewerking noodzakelijk was voor het verkrijgen van informatie door de Dienst. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het gespreksverslag blijkt dat degenen die het gesprek met appellant hebben gevoerd aan appellant hebben uitgelegd waarom het gesprek noodzakelijk was en wat er van hem werd verwacht. Uit dat verslag blijkt ook dat appellant tijdens het gesprek is gewezen op de consequenties van het niet verlenen van medewerking. De beroepsgrond dat in dit geval niet kan worden uitgegaan van de juistheid van het gespreksverslag, aangezien, zo stelt appellant, mogelijk minder objectief naar zijn zaak is gekeken vanwege diverse eerdere aanvragen die hij had ingediend, slaagt evenmin. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gespreksverslag geen juiste weergave vormt van de gang van zaken tijdens het gesprek op 12 juli 2012. De omstandigheid dat appellant door diverse aanvragen bekend is bij de Dienst, biedt daarvoor in ieder geval geen aanknopingspunt. Niet valt dan ook in te zien dat tegemoet zou moeten worden gekomen aan het voorstel van appellant om de beelden van de in de het gebouw aanwezige (beveiligings)camera’s op te vragen voor een juist beeld van de gang van zaken tijdens het gesprek.

4.5.

Appellant heeft ten slotte nog aangevoerd dat de medewerkers van de Dienst misbruik hebben gemaakt van hun ‘machtsverhouding’ ten opzichte van appellant. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Appellant is opgeroepen voor een gesprek in het kader van een onderzoek naar zijn woon- en leefsituatie en diende daaraan zijn medewerking te verlenen. Niet valt in te zien dat dit zou moeten worden gekwalificeerd als machtsmisbruik. Hier doet niet aan af dat appellant het gesprek op 12 juli 2012 heeft ervaren als een verhoor en naar eigen zeggen niet wist waar dat gesprek over zou gaan.

4.6.

Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 niet slaagt, zodat deze uitspraak moet worden bevestigd.

Aangevallen uitspraak 2 (tweede aanvraag)

4.7.

Appellant heeft aangevoerd dat de spullen van hem die tijdens het huisbezoek op

26 oktober 2012 zijn aangetroffen, te weten kleding, administratie, een scheermesje en een tandenborstel, en gezien de verklaring die hij heeft gegeven voor het ontbreken van recente administratie, aantonen dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Deze beroepsgrond slaagt niet. De bevindingen van het huisbezoek, zoals weergegeven in 1.2.4, wijzen uit dat het aantal persoonlijke spullen van appellant in de woning zo minimaal was dat niet aannemelijk is dat appellant ten tijde in geding zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres.

4.8.

De beroepsgrond van appellant dat hij met de schriftelijke verklaring van zijn zoon van 15 juni 2012 de herkomst van de stortingen aannemelijk heeft gemaakt, slaagt niet. Bedoelde verklaring luidt: “Bij deze verklaar en bevestig ik dat ik een bedrag van € 3.000,- heb uitgeleend aan [appellant]”. Reeds bij gebreke van objectieve en verifieerbare gegevens is deze verklaring ontoereikend om aannemelijk te achten dat appellant in juni 2012, bij wijze van lening, een bedrag van € 3.000,- van zijn zoon heeft ontvangen en dit bedrag vervolgens later - bijvoorbeeld in september 2012 - in gedeeltes op zijn bankrekening heeft gestort. Bovendien heeft appellant op het in 1.2.1 vermelde aanvraagformulier niet opgegeven een schuld aan zijn zoon te hebben. Op dat formulier heeft appellant uitsluitend melding gemaakt van een schuld aan zijn ziektekostenverzekeraar. Hierbij wordt aangetekend dat appellant kennelijk in staat is geweest zijn huur en zijn vaste lasten te voldoen en in zijn levensonderhoud te voorzien, terwijl hij stelt sinds januari 2011 geen inkomsten te hebben.

4.9.

Gelet op 4.7 en 4.8 heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant onjuiste dan wel onvoldoende informatie heeft verstrekt over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. De beroepsgrond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting wel is nagekomen, slaagt daarom niet.

4.10.

Uit 4.7 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 niet slaagt, zodat deze uitspraak moet worden bevestigd.

Aangevallen uitspraak 3 (derde aanvraag)

4.11.

Appellant heeft aangevoerd, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 12 maart 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4108), dat niet is voldaan aan de eis van informed consent, omdat de handhavingsspecialisten die het huisbezoek wilden afleggen zich niet hebben gelegitimeerd tegenover M, de medebewoner van appellant, terwijl ook niet is gebleken dat M op de hoogte was van het doel van het huisbezoek. Omdat de handhavingsspecialisten zich onrechtmatig in de woning bevonden, doet het er niet meer toe of zij zich wel of niet hebben gelegitimeerd tegenover appellant en of de handhavingsspecialisten hem de reden van het huisbezoek hebben meegedeeld. De Raad begrijpt deze beroepsgrond aldus dat de handhavingsspecialisten de woning op 1 februari 2013 onrechtmatig zijn binnengetreden en dat om die reden appellant niet kan worden tegengeworpen dat hij niet heeft meegewerkt aan het voorgenomen huisbezoek op die datum.

4.12.

Tussen partijen is niet in geschil dat een redelijke grond bestond voor het afleggen van een huisbezoek op 1 februari 2013. Dit betekent dat het weigeren van toestemming door appellant gevolgen kon hebben voor de verlening van bijstand.

4.13.

In dit geval kan in het midden blijven of al dan niet sprake was van onrechtmatig binnentreden in de woning op 1 februari 2013 om de reden dat de handhavingsspecialisten zich tegenover M niet hebben gelegitimeerd en haar geen mededeling hebben gedaan van het doel van het binnentreden. Immers, wat daar ook van zij, vaststaat dat er een redelijke grond was voor het afleggen van een huisbezoek aan het opgegeven adres en dat appellant dus diende mee te werken aan het huisbezoek op 1 februari 2013.

4.14.

Uit 4.12 tot en met 4.13 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 3 niet slaagt en dat ook deze uitspraak moet worden bevestigd.

4.15.

Reeds gelet op 4.13 zal het verzoek van appellant om het college te veroordelen tot vergoeding van schade aan appellant wegens onrechtmatig binnentreden in de woning worden afgewezen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- wijst in zaak 13/6592 WWB het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2014.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) T.A. Meijering

HD