Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2774

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
13-2418 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel 1: Geen gebruik maken van de door het college aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling. Verlaging van de bijstand met 100% voor de duur van één maand. Maatregel 2: Er is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college, gelet op de ernst van de gedragingen, de mate waarin appellante die gedragingen verweten kan worden en de persoonlijke omstandigheden waarin appellanten verkeren, de duur of hoogte van de maatregel met toepassing van artikel 2 van de Verordening had moeten matigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2418 WWB, 13/2419 WWB

Datum uitspraak: 19 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 april 2013, 13/451 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M. Spek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Spek. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Bij besluit van 22 augustus 2012 (besluit 1) heeft het college de bijstand van appellanten bij wijze van maatregel met ingang van 1 september 2012 verlaagd met 100% gedurende één maand.

1.3.

Bij besluit van 20 september 2012 (besluit 2) heeft het college de bijstand van appellanten bij wijze van maatregel met ingang van 1 oktober 2012 verlaagd met 100% gedurende twee maanden.

1.4.

Bij besluit van 20 december 2012 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. Het college heeft daaraan wat besluit 1 betreft ten grondslag gelegd dat appellant zich verwijtbaar heeft gedragen door het traject van parkeercontroleur waar hij aan deelnam op eigen initiatief voortijdig te beëindigen. Dit is op grond van artikel 7 van de Maatregelverordening Inkomensvoorzieningen van de gemeente Den Haag (Verordening) aan te merken als een gedraging van de tweede categorie. Wat besluit 2 betreft, heeft het college daaraan ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft meegewerkt aan een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, nu zij zonder bericht van verhindering niet op een intakegesprek is verschenen. Ook deze verwijtbare gedraging valt onder de tweede categorie. Omdat het gaat om gedragingen van dezelfde categorie binnen een jaar is er sprake van recidive en heeft het college de duur van de maatregel bij besluit 2 verdubbeld.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB bepaalt dat de belanghebbende verplicht is gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

4.2.

Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende naar het oordeel van het college de uit de WWB voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De Verordening is de in artikel 18, tweede lid, van de WWB bedoelde verordening.

4.3.

Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat de in 1.4 genoemde gedragingen verwijtbaar zijn en dat het college, gelet daarop, gehouden is een maatregel op te leggen overeenkomstig de Verordening. Partijen houdt slechts verdeeld of de opgelegde maatregelen van 100% gedurende een maand en 100% gedurende twee maanden in dit geval evenredig zijn.

Maatregel 1

4.4.

Appellanten hebben aangevoerd dat appellant zich gedwongen voelde om het traject tot parkeercontroleur te gaan volgen omdat hij door de gemeente niet in staat was gesteld om het traject voor rij-instructeur af te ronden. Hij heeft het traject tot parkeercontroleur tot zijn spijt niet vol kunnen houden. Appellanten menen dat het verloop van het eerdere traject een reden is om de maatregel te matigen.

4.5.

Appellant heeft op eigen initiatief besloten om het traject tot parkeercontroleur, dat hij volgde bij Startbaan, voortijdig te beëindigen. Het college heeft deze gedraging terecht aangemerkt als een gedraging van de tweede categorie als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening: het niet gebruik maken van de door het college aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling. Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening leidt dit in beginsel tot een verlaging van de bijstand met 100% voor de duur van één maand.

4.6.

Wat appellanten hebben aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het college, gelet op de ernst van de gedragingen, de mate waarin appellant die gedragingen verweten kan worden en de persoonlijke omstandigheden waarin appellanten verkeren, de maatregel met toepassing van artikel 2 van de Verordening had moeten matigen. Daarbij is terecht meegewogen dat appellant na afloop van het traject uitzicht had op een vaste baan.

Maatregel 2

4.7.

Appellanten hebben aangevoerd dat de hoogte van de maatregel die het college heeft opgelegd omdat appellante op één afspraak niet is verschenen onevenredig zwaar is. De gewenste gedragsverandering had ook bereikt kunnen worden met een waarschuwing of een gematigde maatregel.

4.8.

In wat appellanten hebben aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het college, gelet op de ernst van de gedragingen, de mate waarin appellante die gedragingen verweten kan worden en de persoonlijke omstandigheden waarin appellanten verkeren, de duur of hoogte van de maatregel met toepassing van artikel 2 van de Verordening had moeten matigen.

4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.H.M. Roelofs en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2014.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) O.P.L. Hovens

HD