Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2773

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
12-6746 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6746 WWB, 12/6747 WWB, 13/5694 WWB, 13/5695 WWB

Datum uitspraak: 19 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van

14 november 2012, 12/2247 (aangevallen uitspraak 1) en van 5 september 2013, 13/4273 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) beiden te

[woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2014. Appellanten zijn, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 14 juli 1995 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden. Appellant heeft tot 2 augustus 1995 een eigen bedrijf in tropische producten gehad onder de naam [vof]. Dit bedrijf is op 21 juli 1995 failliet verklaard. Sinds 21 juli 1995 staat een groothandel in Nederlandse en Chinese groenten, genaamd [groothandel], in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven op naam van een zoon van appellanten, [naam zoon].

1.2.

Naar aanleiding van een schriftelijke anonieme tip dat appellanten werkzaamheden verrichten heeft de sociale recherche van de gemeente Den Haag een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche observaties verricht, appellanten verhoord en een groot aantal medewerkers van leveranciers en afnemers van[groothandel] als getuigen gehoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een proces-verbaal van 13 september 2011.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

12 september 2011 de bijstand van appellanten met ingang van 1 augustus 2011 in te trekken. Bij besluit van 4 november 2011 heeft het college de bijstand van appellanten over de periode van 21 juli 2000 tot en met 31 juli 2011 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 168.561,97 van appellanten teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 6 februari 2012 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 12 september 2011 en 4 november 2011 ongegrond verklaard op de grond dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet aan het college te melden dat appellant op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van het bedrijf [groothandel] met als gevolg dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.5.

Op 17 oktober 2012 hebben appellanten een aanvraag ingediend voor een langdurigheidstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de WWB.

1.6.

Bij besluit van 22 november 2012, gehandhaafd bij besluit van 15 april 2013 (bestreden besluit 2), heeft het college deze aanvraag afgewezen.

2.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Zij hebben daartoe, samengevat, aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden, omdat door appellant geen werkzaamheden zijn verricht die bij het college hadden moeten worden gemeld. Appellant heeft de werkzaamheden louter om gezondheidsredenen verricht. Hij is vanwege hartklachten, nierproblemen en psychische klachten niet in staat om reguliere arbeid te verrichten, maar bleef door de werkzaamheden in beweging. Bovendien heeft appellant geen enkele vorm van betaling ontvangen voor de verrichte werkzaamheden. Ook al zou de inlichtingenverplichting door appellanten zijn geschonden, dan wil dat niet zeggen dat geen recht op bijstand bestond. Aangezien appellant voor de verrichte werkzaamheden nooit enige vergoeding in geld of natura heeft ontvangen, kan het recht op bijstand wel degelijk worden vastgesteld. Appellanten hadden geen inkomen anders dan de bijstand die zij ontvingen, zodat zij ook voldoen aan de voorwaarden voor toekenning van de langdurigheidstoeslag.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. De beoordeling door de bestuursrechter bestrijkt in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 21 juli 2000 tot en met

12 september 2011.

4.2.

De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellant gedurende de gehele te beoordelen periode werkzaamheden ten behoeve van [groothandel] heeft verricht. Appellant heeft op 8 en 9 augustus 2011 tegenover de sociale recherche verklaard dat hij vijf jaar na het faillissement van zijn bedrijf op 21 juli 1995 is begonnen met hand- en spandiensten te verlenen en sinds augustus 2009 zeer actief is met het verrichten van werkzaamheden voor [groothandel]. Zo geeft appellant dagelijks bestellijsten af en brengt hij bestellingen rond. Hij kent alle relaties van [groothandel], zoals leveranciers en afnemers en is op de hoogte van alle activiteiten vanaf de aanschaf van bedrijfsmiddelen tot en met het contact met de boekhouder. Verder hebben elf medewerkers van leveranciers en afnemers van [groothandel] verklaard dat zij appellant al tien jaar of langer kennen als de baas van het bedrijf. Gelet hierop is aannemelijk dat appellant werkzaamheden heeft verricht die in het economisch verkeer op geld waardeerbaar zijn.

4.3.

Het had appellanten redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de door appellant verrichte werkzaamheden van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Dat appellant uitsluitend de intentie had om de werkzaamheden ter bevordering van zijn gezondheid te verrichten, is daarbij niet van belang. Daar komt bij dat appellant, nog daargelaten dat hij zijn gezondheidsklachten niet met objectieve medische gegevens heeft onderbouwd, gelet op 4.2 in staat moet worden geacht de daar genoemde werkzaamheden ook feitelijk te verrichten. Evenmin is relevant dat appellant, zoals hij stelt, daarvoor niet werd betaald. Van belang is immers niet alleen welke inkomsten daadwerkelijk zijn ontvangen, maar ook welke inkomsten een betrokkene, gelet op de aard, duur en omvang van de werkzaamheden, redelijkerwijs had kunnen bedingen of ontvangen.

4.4.

Door van deze werkzaamheden geen mededeling te doen aan het college hebben appellanten de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Aangezien appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen inkomsten hebben ontvangen en voorts geen nadere informatie hebben verstrekt over de aard, duur en omvang van bedoelde werkzaamheden, kan als gevolg van deze schending niet worden vastgesteld of appellanten ten tijde hier van belang in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden.

4.5.

Het college was gelet op 4.4 bevoegd om de bijstand over de te beoordelen periode in te trekken en de als gevolg van deze intrekking gemaakte kosten van bijstand van appellanten terug te vorderen. Tegen de wijze waarop het college van de intrekkings- en terugvorderingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 vloeit voort dat ook de afwijzing van de langdurigheidstoeslag in stand kan blijven.

4.7.

De conclusie is dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. Hillen en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

De griffier is buiten staat te ondertekenen.

HD