Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2772

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
13-1794 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing van de vergoeding van immateriële schade. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet gebleken is dat de feiten en omstandigheden in dit geval zouden rechtvaardigen dat het niet tijdig betalen van een voorschot aan appellant moet worden aangemerkt als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. De brief van de huisarts van appellant leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat daarin geen relatie wordt gelegd met de gezondheidsklachten van appellant en de vertraagde uitbetaling van het voorschot.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/310

Uitspraak

13/1794 WWB

Datum uitspraak: 19 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

22 februari 2013, 12/3150 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Klaas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en - desgevraagd - een stuk overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2014. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.W.F. Asmussen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 15 december 2011 heeft het college de aanvraag van appellant om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen. Appellant heeft tegen dit besluit onder meer een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

1.2.

Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Haarlem van 19 januari 2012 heeft de voorzieningenrechter het college opgedragen om aan appellant per 30 december 2011 een voorschot te verstrekken. Op

8 februari 2012 heeft het college een voorschot van € 735,- op de bankrekening van appellant overgemaakt.

1.3.

Bij brief van 13 februari 2012 heeft appellant aan het college medegedeeld schade te hebben geleden als gevolg van de trage uitbetaling van het voorschot. Appellant heeft verzocht om vergoeding van wettelijke rente alsmede om een bedrag van € 200,- (immateriële schade).

1.4.

Bij besluit van 21 maart 2012 heeft het college de wettelijke rente vergoed. Voor het overige heeft het college het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

1.5.

Bij besluit van 19 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar, voor zover dat ziet op de afwijzing van de vergoeding van immateriële schade, ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het hier van toepassing zijnde wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.2.

Met onder meer een verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 26 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3191, heeft de rechtbank overwogen dat het niet verstrekken van een uitkering onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer (EHRM 3 mei 2001, Domenech Pardo versus Spanje, nr. 55996/00) en daarmee mogelijk ook als aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Daarvan zal echter alleen in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet gebleken is dat de feiten en omstandigheden in het onderhavige geval zouden rechtvaardigen dat het niet tijdig betalen van een voorschot aan appellant moet worden aangemerkt als een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. De brief van de huisarts van appellant van 28 februari 2012 leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat daarin geen relatie wordt gelegd met de gezondheidsklachten van appellant en de vertraagde uitbetaling van het voorschot.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) O.P.L. Hovens

IvZ