Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2770

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
13-1816 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling ingangsdatum bijstand. Herziening bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1816 WWB

Datum uitspraak: 19 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

31 januari 2013, 12/1203 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben desgevraagd stukken overgelegd.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 8 juli 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 5 november 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante staat ingeschreven op het adres [adres], op welk adres zij ten tijde van de toekenning van de bijstand samen met haar dochter, [naam](P.), woonachtig was.

1.2.

Op 7 december 2011 heeft appellante tijdens een gesprek met een medewerker van de gemeente Groningen ter oriëntatie op een zelfstandigentraject verklaard dat haar dochter eind juni 2011 naar Bonaire is gegaan en sindsdien daar woonachtig is. Naar aanleiding van deze verklaring heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 20 december 2011.

1.3.

Bij afzonderlijke besluiten van 21 december 2011 heeft het college de bijstand van appellante per 1 juli 2011 herzien naar de norm voor een alleenstaande, en de over de periode van 1 juli 2011 tot en met 30 november 2011 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 788,40 van haar teruggevorderd, omdat zij per 1 juli 2011 niet langer een kind verzorgt dat jonger is dan 18 jaar en in welk verband appellante aanspraak maakt op kinderbijslag. Appellante heeft, door niet te melden dat haar dochter niet bij haar inwoont, de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

1.4.

Bij besluit van 19 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 21 december 2011 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft daarbij de ingangsdatum van de normwijziging bepaald op 20 september 2011 en de herziening van de bijstand beperkt tot het tijdvak van 20 september 2011 tot en met 30 november 2011. Hierdoor is op de terugvordering een bedrag van € 293,56 in mindering gebracht.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante stelt zich primair op het standpunt dat haar bijstandsuitkering niet eerder dan 8 december 2011, de datum waarop P. zich definitief heeft ingeschreven op een middelbare school op Bonaire, had mogen worden herzien. Subsidiair stelt appellante dat het college 8 oktober 2011, de datum waarop appellante naar Nederland is teruggekeerd, als ingangsdatum had moeten hanteren.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hoger beroep heeft appellante dezelfde beroepsgronden naar voren gebracht als die welke zij in de beroepsprocedure bij de rechtbank naar voren heeft gebracht.

4.2.

De rechtbank heeft aan haar beslissing tot ongegrondverklaring van het beroep de volgende overwegingen ten grondslag gelegd, waarbij voor eiseres appellante en voor verweerder het college moet worden gelezen.

“De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat niet bij aanvang van de vakantie sprake was van het verplaatsen van de woonstede van eiseres, maar dat gaandeweg daarvan wel sprake was. Uit de stukken blijkt dat eiseres en haar dochter op vakantie zijn gegaan naar Bonaire en daarbij (tevens) het doel hadden te onderzoeken of de dochter van eiseres daar zou kunnen blijven. De rechtbank is van oordeel dat de ingangsdatum van de wijziging van de woonstede van de dochter van eiseres dient te worden bepaald aan de hand van de datum waarop de dochter van eiseres in Bonaire naar school ging. Dat eerst in december 2011 werd overgegaan tot definitieve inschrijving op de school en dat voorafgaand daaraan niet duidelijk was of de dochter van eiseres op Bonaire wilde blijven, doet niet af aan de feitelijke gang van zaken en de intenties die daaraan ten grondslag hebben gelegen.”

4.3.

De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust. Hieraan wordt toegevoegd dat, nu het college in bezwaar voor de ingangsdatum van de herziening aansluiting heeft gezocht bij de maximale vakantieduur, appellante onder de gegeven omstandigheden niet tekort is gedaan.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) O.P.L. Hovens

RK