Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2764

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
13-1189 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:181, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en de AIO-aanvulling. Het taxatierapport van 22 mei 2009 is op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. De Raad ziet geen aanleiding om zelf een deskundige in te schakelen teneinde de waarde van de desbetreffende onroerende zaken te bepalen, zoals appellanten ter zitting hebben verzocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1189 WWB, 13/1190 WWB

Datum uitspraak: 19 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 januari 2013, 12/355 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. N. Türkkol, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2014. Voor appellanten is verschenen mr. Türkkol. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.E. Eind.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten, geboren op 1 juli 1934 respectievelijk 1 juli 1936, ontvangen sinds geruime tijd een gedeeltelijk ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). In aanvulling hierop hebben zij, voor zover hier van belang, sinds 1 januari 2002 bijstand van de gemeente Schiedam ontvangen, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Vanaf 1 mei 2009 heeft de Svb de bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) verleend.

1.2.

Naar aanleiding van het door meerdere langdurige vakanties in Turkije gerezen vermoeden dat appellanten daar onroerende zaken bezitten, heeft de gemeente Schiedam het Bureau Fraude-informatie van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (IBF) verzocht een rechtmatigheidsonderzoek in te stellen ter beantwoording van de vraag of appellanten beschikken over onroerende zaken in Turkije. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 27 mei 2009. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat appellanten in [geboorteplaats 1] en [geboorteplaats 2], de geboorteplaatsen van appellanten, sinds 1965, 1986 en 1993 onroerende zaken bezitten, bestaande uit twee woningen, drie bouwkavels en elf percelen landbouwgrond. Op naam van appellant is belastingaangifte gedaan voor de beide woningen, drie bouwkavels en negen percelen landbouwgrond. Op naam van appellante is belastingaangifte gedaan voor twee percelen landbouwgrond. Een lokale makelaar heeft op

22 mei 2009 de woningen, twee bouwkavels, en de drie grootste percelen landbouwgrond in Kilbasan, en een stuk bouwgrond en een perceel landbouwgrond in [geboorteplaats 1], getaxeerd op een bedrag van in totaal € 58.356,-. De Svb is van de bevindingen van het onderzoek in kennis gesteld.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor de Svb aanleiding geweest bij besluit van 12 augustus 2011 de bijstand per 1 januari 2002 en de AIO-aanvulling per 1 mei 2009 in te trekken op de grond dat het vermogen van appellanten hoger is dan het vrij te laten vermogen, zodat geen recht op bijstand en AIO-aanvulling bestaat. Appellanten hebben geen melding gemaakt van het bezit van deze onroerende zaken. Bij afzonderlijk besluit van 12 augustus 2011 heeft de Svb de over de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 januari 2011 teveel betaalde bijstand en AIO-aanvulling van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 41.078,11.

1.4.

Bij besluit van 15 december 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb de bezwaren tegen de intrekking van de bijstand en de AIO-aanvulling ongegrond verklaard, de bezwaren tegen

de terugvordering gegrond verklaard en het terug te vorderen bedrag nader vastgesteld op

€ 28.716,-.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben, evenals in beroep, aangevoerd dat de waarde van de onroerende zaken te hoog is getaxeerd. Ter onderbouwing van hun stelling dat de waarde van de onroerende zaken aanzienlijk lager is dan € 58.356,- hebben zij gewezen op het in beroep overgelegde taxatieverslag van 5 maart 2012. Volgens appellanten is de waarde van de onroerende zaken niet hoger dan € 28.150,61. Omdat niet in geschil is dat op de woningen in Turkije een hypotheekschuld rust van € 20.000,- waarmee het vermogen moet worden verminderd, is hun vermogen lager dan het vrij te laten vermogen. Verder zijn appellanten van mening dat het door hen ingebrachte taxatieverslag ten onrechte als minder zwaarwegend wordt beoordeeld dan de door de Svb ingebrachte IBF-taxatie.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het betreft hier de intrekking en terugvordering van bijstand en AIO-aanvulling verleend aan personen die ten tijde van de verstrekking de leeftijd van 65 jaar reeds hadden bereikt. Uit het samenstel van de artikelen 47a, 47b en 78i van de WWB volgt dat de Svb in dit geval de bevoegdheid toekomt besluiten te nemen over de intrekking en terugvordering van de bijstand en AIO-aanvulling over de te beoordelen periode. De Raad volstaat hier verder met verwijzing naar zijn uitspraak van 15 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1235).

4.2.

De te beoordelen periode loopt van 1 januari 2002 tot en met 12 augustus 2011.

4.3.

Niet in geschil is dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van het feit dat zij eigenaar zijn van een tweetal woningen en diverse percelen bouw- en landbouwgrond in Turkije.

4.4.

Anders dan appellanten menen, heeft de Svb bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaken mogen uitgaan van de in het kader van het onderzoek van het IBF verrichte taxatie. Het feit dat de makelaar die de onroerende zaken heeft getaxeerd is geselecteerd door het bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Ankara geeft, gelet op de bij het rapport van 27 mei 2009 gevoegde notitie van de aan die dienst verbonden attaché, voldoende vertrouwen in de deskundigheid van die makelaar. De omstandigheid dat in Turkije volgens appellanten geen beëdigde taxateurs bestaan en evenmin een landelijke beroepsorganisatie van makelaars, is gelet op de volgens voormelde notitie geldende selectiecriteria, onvoldoende om zijn deskundigheid in twijfel te trekken. Het taxatierapport van 22 mei 2009 is op zorgvuldige wijze tot stand gekomen na onderzoek en op basis van gegevens zoals die ten name van appellanten zijn geregistreerd bij de afdeling onroerende zaken van de gemeenten [geboorteplaats 1] en [geboorteplaats 2] en na bezichtiging van de woningen aan de buitenzijde. In het rapport is verder vermeld welke aspecten bij de taxatie zijn betrokken, waaronder de staat van onderhoud en de locatie van de woningen, alsmede de ligging, de oppervlakte en de bestemming van de bouwkavels en de landbouwgrond.

4.5.

Het door appellanten overgelegde taxatieverslag van 5 maart 2012 geeft geen grond voor twijfel aan de juistheid van het taxatierapport van 22 mei 2009. Uit het taxatieverslag van

5 maart 2012 blijkt niet welke factoren de waardebepaling van de onroerende zaken positief dan wel negatief beïnvloeden en hoe de taxateur tot de waardebepaling is gekomen. Daarbij komt dat in het betreffende taxatieverslag een waardebepaling van een bouwkavel in [geboorteplaats 1], die door de IBF-taxateur is getaxeerd op TL 5.000,-, ontbreekt. Onder deze omstandigheden ziet de Raad geen aanleiding om zelf een deskundige in te schakelen teneinde de waarde van de desbetreffende onroerende zaken te bepalen, zoals appellanten ter zitting hebben verzocht.

4.6.

De Raad ziet er tenslotte niet aan voorbij dat de IBF-taxateur bij zijn taxatie kennelijk een aantal andere op naam van appellanten geregistreerde percelen bouw- en landbouwgrond nog buiten beschouwing heeft gelaten. Hieraan worden voor dit geding verder geen consequenties verbonden nu dit enkel ten voordele van appellanten strekt.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. Hillen en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2014.

(getekend) R.H.M. Roelofs

De griffier is buiten staat te ondertekenen

IJ