Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2014
Datum publicatie
18-08-2014
Zaaknummer
13-811 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant is geen verbeterkans binnen de eigen organisatie geboden. Met een zoektermijn van drie maanden is appellant tekort gedaan. Derhalve slaagt het hoger beroep. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Beroep gegrond voor zover daarbij de zoektermijn is vastgesteld. Wanneer in de toekomst een vacature ontstaat voor een passende leidinggevende functie moet aan appellant een reële en eerlijke kans worden geboden om zich in die functie te bewijzen. Omdat op voorhand niet bekend is wanneer een vacature voor een passende leidinggevende functie ontstaat, wordt geen termijn gesteld waarbinnen het bestuur appellant deze kans dient te bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/184

Uitspraak

13/811 AW

Datum uitspraak: 14 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

3 januari 2013, 12/2464 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het Dagelijks Bestuur van Waterschap Aa en Maas (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.S. Engelvaart hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2014. Appellant is verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, advocaat, en

dr. ir. R.T. van Houten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was vanaf 1997 werkzaam bij - de rechtsvoorganger van - het waterschap Aa en Maas (waterschap) in de functie van afdelingshoofd Zuiveringsregio Maas. Tijdens een personeelsdag op 11 september 2007 heeft appellant als gevolg van overmatig gebruik van alcohol ongewenst gedrag vertoond, hetgeen tot zijn ontslag heeft geleid. In zijn uitspraak van 15 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM2249, heeft de Raad overwogen dat het bestuur dit gedrag van appellant terecht als ongepast heeft aangemerkt en terecht de conclusie heeft getrokken dat appellant als leidinggevende tekort is geschoten. De Raad heeft voorts geoordeeld dat het ontslag niet in stand kan blijven omdat aan appellant ten onrechte geen verbeterkans was gegeven. De Raad heeft vervolgens het beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar vernietigd en het primaire ontslagbesluit herroepen.

1.2. Na deze uitspraak is overleg tussen partijen gevoerd over de plaatsing van appellant. Hierbij is geen overeenstemming bereikt. In 2011 heeft appellant zijn belangstelling kenbaar gemaakt voor de vacature van hoofd afdeling Zuiveringsregio. Bij besluit van 29 november 2011 heeft het bestuur appellant meegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor deze vacature. Na het ontslag van appellant heeft deze functie een behoorlijke ontwikkeling doorgemaakt en is deze één niveau hoger gewaardeerd. Deze functie vraagt nu strategisch en tactisch inzicht, waarover appellant niet beschikt.

1.3. Bij besluit van 3 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het bestuur het bezwaar tegen het besluit van 29 november 2011 gegrond verklaard. Het bestuur heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat appellant ten onrechte niet is toegelaten tot de sollicitatieprocedure. De procedure wordt niet opnieuw gevoerd, omdat in de vacature is voorzien. Onder verwijzing naar de onder 1.1 genoemde uitspraak van de Raad biedt het bestuur een compensatie aan in die zin dat het in de periode van juli 2012 tot oktober 2012 op zoek gaat naar een passende functie voor appellant binnen de eigen organisatie.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Uit de onder 1.1 genoemde uitspraak van de Raad volgt dat de aanstelling van appellant bij het waterschap nimmer is geëindigd.

3.2.

Appellant heeft in hoger beroep te kennen gegeven begrip te hebben voor het feit dat hij niet meer op de door hem geambieerde functie van afdelingshoofd Zuiveringsregio kan worden geplaatst, omdat de functie niet meer vacant is. Dit punt behoeft daarom geen bespreking meer.

3.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij met de door het bestuur gehanteerde zoektermijn van juli 2012 tot oktober 2012 te kort is gedaan. Hij is verder van mening dat aan hem de door de Raad in zijn uitspraak van 15 april 2010 bedoelde verbeterkans moet worden gegeven in een leidinggevende functie die vergelijkbaar is met zijn voormalige functie van hoofd van een zuiveringsregio. Tenminste, zo voegt appellant toe, moet aan hem een reële en eerlijke kans worden geboden indien een vacature ontstaat voor een leidinggevende functie en hij daarop solliciteert.

3.4.

Vaststaat dat de voormalige functie van appellant, hoofd van de afdeling Zuiveringsregio Maas, als zodanig niet meer bestaat, zodat het bestuur appellant niet een verbeterkans kan bieden in zijn laatst uitgeoefende leidinggevende functie. Uit de in het dossier aanwezige stukken blijkt dat het bestuur tot juli 2012 uitsluitend gericht is geweest op het vinden van een functie voor appellant buiten de eigen organisatie. Het bestuur heeft ter zitting van de Raad desgevraagd bevestigd dat appellant geen verbeterkans binnen de eigen organisatie is geboden. Met een zoektermijn van drie maanden is appellant, gelet op hetgeen in de meergenoemde uitspraak van de Raad is overwogen, tekort gedaan. Derhalve slaagt het hoger beroep.

3.5.

De rechtbank heeft het vorengaande niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover daarbij een zoektermijn is vastgesteld die slechts loopt van juli 2012 tot oktober 2012.

3.6.

Met het oog op finale geschilbeslechting wordt het volgende overwogen. Ter zitting van de Raad heeft het bestuur meegedeeld dat hij niet op voorhand uitsluit dat appellant opnieuw in een leidinggevende functie binnen de organisatie komt te werken. Het bestuur heeft er hierbij wel op gewezen dat de leidinggevende functies, na september 2007, zijn verzwaard en opgeschaald, en de huidige leidinggevende functies niet meer overeenkomen met de leidinggevende functie die appellant vroeger uitoefende. Het bestuur betwijfelt of appellant geschikt is voor één van de thans bestaande leidinggevende functies. Daarnaast is er, in ieder geval op dit moment, geen vacature voor een leidinggevende functie. Wanneer in de toekomst een vacature ontstaat voor een passende leidinggevende functie moet aan appellant een reële en eerlijke kans worden geboden om zich in die functie te bewijzen. Zoals ter zitting door het bestuur is bevestigd, zijn een proefplaatsing voor bepaalde duur, dan wel een assessment waaruit objectief bezien de - potentiële - geschiktheid van appellant kan blijken, hierbij geschikte instrumenten. Omdat op voorhand niet bekend is wanneer een vacature voor een passende leidinggevende functie ontstaat, wordt geen termijn gesteld waarbinnen het bestuur appellant deze kans dient te bieden.

3.7.

De Raad zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.

4.

Er is aanleiding om het bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 974,- in beroep en € 487,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, zijnde in totaal € 1.461,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 3 juli 2012 voor zover daarbij de

zoektermijn is vastgesteld over de periode juli 2012 tot oktober 2012;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het

besluit van 3 juli 2012, daarbij mede verwijzende naar hetgeen onder 5.6 is overwogen;

- veroordeelt het bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.461,-;

- bepaalt dat het bestuur aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 157,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2014.

(getekend) J.Th. Wolleswinkel

(getekend) J.T.P. Pot

IJ