Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2759

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-08-2014
Datum publicatie
18-08-2014
Zaaknummer
13-143 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid anders dan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/143 AW

Datum uitspraak: 14 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van

28 november 2012, 12/788 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het College van Bestuur van de Universiteit Twente (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.I. Harbers-Schuitemaker hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Harbers-Schuitemaker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Kolijn-van de Merwe en prof. dr. ir. J.W.M. Noordermeer (N).

Het onderzoek ter zitting is geschorst om partijen de gelegenheid te geven tot een minnelijke regeling te komen. Appellante heeft de Raad bij brief van 3 juni 2014 meegedeeld dat partijen daarin niet zijn geslaagd.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was sedert 1 augustus 1978 werkzaam voor de Universiteit Twente (UT), sedert 1982 in de functie van vakgroepsecretaresse. Vanaf 1 januari 2008 vervulde appellante deze functie voor de faculteit Construerende Technische Wetenschappen (CTW), voor 0,6 fte bij de vakgroep Elastomer Technology and Engineering (ETE) en vanaf 1 maart 2008 voor de overige 0,4 fte bij de vakgroep Engineering Fibrous Smart Materials (EFSM).

1.2. Appellante heeft op 25 september 2008 een jaargesprek gehad met N, haar leidinggevende bij vakgroep ETE. Tijdens dat gesprek heeft N aan appellante zijn ontevredenheid over haar functioneren kenbaar gemaakt. Op 14 januari 2009 en 8 april 2009 is het functioneren van appellante respectievelijk bij ETE en EFSM beoordeeld. De conclusie van de beoordeling van het functioneren bij ETE was dat appellante zich weliswaar inzet om haar functioneren te verbeteren en er ook concrete vorderingen zichtbaar zijn, maar dat de werkverdeling en de planning en organisatie van de werkzaamheden een probleem vormen. Kort na die beoordeling is naar aanleiding van de opmerking van appellante dat het werk voor twee vakgroepen te versnipperd is, haar werk zo georganiseerd dat zij wekelijks voor langere aaneengesloten periodes voor één van de vakgroepen werkt. Omdat appellante de werklast te hoog vond, is voorts besloten om een deel van haar taken waarvoor 0,2 fte was begroot eind mei 2009 aan een ander over te dragen. Het functioneren van appellante bij ETE is opnieuw beoordeeld op 7 oktober 2009. Blijkens die beoordeling bestaat grote twijfel of appellante in staat zal zijn de functie als vakgroepsecretaresse optimaal uit te voeren vanwege onder meer ongeordendheid, gebrek aan structuur en het niet kunnen stellen van prioriteiten. Er worden onvoldoende vorderingen gezien om appellante nog meer gelegenheid te geven haar functioneren te verbeteren. Men wil niet met appellante als vakgroepsecretaresse verder. De beoordeling is definitief vastgesteld bij besluit van 20 januari 2010 en het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 juli 2010 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft appellante geen beroep ingesteld.

1.3. Bij het besluit van 16 juli 2010 is appellante meegedeeld dat, gelet op haar positieve en bereidwillige instelling en haar lange loopbaan bij de UT, eerst gedurende een half jaar in een informeel traject de mogelijkheden voor een andere functie of werkplek zullen worden nagegaan en dat pas daarna een formele herplaatsingsprocedure zal worden gestart. Na afloop van het informele traject heeft de herplaatsingscommissie een herplaatsingsonderzoek uitgevoerd van 1 januari 2011 tot en met 31 maart 2012. Dit onderzoek is zonder resultaat afgesloten.

1.4. Nadat het college zijn voornemen tot ontslag had geuit en appellante daarover haar zienswijze had gegeven, heeft het college bij besluit van 26 januari 2012 appellante met toepassing van artikel 8.4, eerste lid, van de CAO Nederlandse Universiteiten (CAO NU) met ingang van 1 mei 2012 eervol ontslag verleend. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante onbekwaam of ongeschikt is voor de functie van vakgroepsecretaresse en andere passende werkzaamheden ontbreken.

1.5. Bij besluit van 5 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 januari 2012 ongegrond verklaard met dien verstande dat het ontslag met ingang van 15 juli 2012 wordt verleend.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 8.4, eerste lid, van de CAO NU kan de werkgever het dienstverband uitsluitend beëindigen indien sprake is van een redelijke grond. In artikel 8.6, zesde lid, van de CAO NU is bepaald dat indien de werkgever voornemens is het dienstverband met de werknemer te beëindigen wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid van de werknemer voor zijn functie, de werkgever onderzoekt of er andere passende werkzaamheden beschikbaar zijn, tenzij het tekortschieten te wijten is aan schuld of toedoen van de werknemer.

4.2.

Appellante heeft terecht naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet heeft betwist dat zij ongeschikt is voor de functie van vakgroepsecretaresse. In het beroepschrift en in het aanvullend beroepschrift komt immers duidelijk naar voren dat appellante die ongeschiktheid bestrijdt. Appellante heeft die beroepsgrond niet laten vallen. Weliswaar is in het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank vermeld dat de gemachtigde van appellante heeft gezegd dat de ongeschiktheid als vakgroepsecretaresse niet is aangevochten, maar gelet op de context waarin die mededeling is gedaan en de toelichting van de gemachtigde ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde daarmee slechts beoogd te zeggen dat appellante geen beroep heeft ingesteld tegen de bij het besluit van 16 juli 2010 gehandhaafde beoordeling. De Raad zal dit gebrek herstellen en alsnog beoordelen of het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellante ongeschikt is voor de functie van vakgroepsecretaresse.

4.3.

Het college heeft zijn conclusie dat appellante ongeschikt is voor het vervullen van haar functie gebaseerd op de feiten en omstandigheden die ook de grondslag vormden voor de bij het besluit van 20 januari 2010 vastgestelde en na bezwaar gehandhaafde beoordeling. Appellante heeft deze feiten en omstandigheden onvoldoende weersproken aangezien zij slechts heeft verwezen naar wat zij in bezwaar tegen de beoordeling naar voren heeft gebracht. Uit die feiten en omstandigheden komt het beeld naar voren dat appellante op belangrijke aspecten van haar functioneren, zoals de administratieve ondersteuning van de vakgroep, correspondentie, archivering van documenten en publicaties en notuleren, tekortschiet. Ook na de herverdeling van de dagen over de werkweek waarop zij voor ETE of voor ESFM werkzaam was en de vermindering van haar werklast zijn problemen blijven bestaan: appellante schoof de zaken te veel voor zich uit, nam onvoldoende initiatief, handelde opdrachten niet in één keer af, voerde opdrachten onvoldoende uit, voerde een slordige correspondentie, archiveerde publicaties niet en verzorgde geen goede verslaglegging van bijeenkomsten en vergaderingen. Op basis daarvan heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante ongeschikt is voor het vervullen van haar functie als vakgroepsecretaresse.

4.4.

Het betoog van appellante dat het college zich in onvoldoende mate heeft ingespannen om voor appellante andere passende werkzaamheden te vinden, slaagt niet. Vanaf juli 2010 tot en met 31 maart 2012 heeft het college, al dan niet in het kader van een formeel traject, gezocht naar een passende functie voor appellante. In die periode heeft appellante binnen de universiteit vijf sollicitaties verricht naar functies waarvoor zij om uiteenlopende redenen niet is aangenomen. Het college heeft onderzoek gedaan naar de passendheid van de functie receptionist/medewerker interne dienst en die voor appellante ongeschikt bevonden. Voorts heeft het college voor appellante geïnformeerd naar vacatures bij arbodienst Santar. Daarnaast is appellante in de gelegenheid gesteld om gedurende drie maanden als stagiaire op de Afdeling Archief te werken om haar kansen op duurzaam werk te vergroten. Het college heeft verder de nodige gesprekken gevoerd en appellante begeleid, welke begeleiding onder meer gericht was op het vinden van werk buiten de universiteit. In dat kader is appellante ondersteuning in de vorm van trainingen aangeboden. In aanmerking genomen dat als gevolg van een reorganisatie en inkrimping van de organisatie het aantal vacatures bij de universiteit gering was, heeft het college voldoende onderzocht of er andere passende werkzaamheden voor appellante beschikbaar waren. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat er voor haar passende functies waren die haar niet zijn aangeboden. Het college heeft dan ook niet in strijd gehandeld met artikel 8.6, zesde lid, van de CAO NU.

4.5.

Op grond van wat onder 4.3 en 4.4 is overwogen, was het college bevoegd het dienstverband van appellante met toepassing van artikel 8.4, eerste lid, van de CAO NU te beëindigen. Appellante heeft aangevoerd dat het college haar - naast de aanspraken op een werkloosheidsuitkering en een bovenwettelijke uitkering - een financiële vergoeding had moeten aanbieden. Zij heeft in dat verband gewezen op haar lange dienstverband en haar goede staat van dienst, althans tot de beoordeling in 2009, en de omstandigheid dat zij in verband met haar leeftijd en het slechte economische klimaat zeer geringe kansen heeft op de arbeidsmarkt. Deze omstandigheden brengen echter niet mee dat het college, door appellante geen financiële vergoeding te bieden bij haar ontslag, niet in redelijkheid van zijn ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. De omstandigheid dat het college tijdens de hoorzitting van 13 juni 2012 heeft opgemerkt dat het niet onwelwillend tegenover een minnelijke regeling staat en een voorstel van appellante met belangstelling tegemoet ziet, brengt niet mee dat een financiële vergoeding moet worden geboden. Voor zover appellante een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft gedaan, wordt dat verworpen omdat appellante dat beroep niet met concrete en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd.

4.6.

De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking, zij het, gelet op wat onder 4.2 is overwogen, met verbetering van gronden.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en

C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) B. Rikhof

HD