Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2758

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
18-08-2014
Zaaknummer
13-5503 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant is in zijn beroepschrift in hoger beroep niet opgekomen tegen het expliciete oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000 in het jaar 2012, staat dat oordeel tussen partijen in hoger beroep vast. Het wettelijk vermoeden van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 moet dan ook ten aanzien van het jaar 2012 geacht worden te zijn weerlegd. Appellant had onder toepassing van de hardheidsclausule moeten afwijken van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, en van herziening en terugvordering over het jaar 2012 moeten afzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/5503 WSF

Datum uitspraak: 30 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

3 oktober 2013, 13/3543 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. P.Th. van Alkemade, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Van Alkemade.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft, voor zover hier van belang, over de jaren 2012 en 2013 aan betrokkene studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Betrokkene staat vanaf 1 juni 2011 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven onder het adres [adres] te [woonplaats].

1.2. Bij besluit van 2 maart 2013 heeft appellant betrokkene vanaf 1 januari 2012 alsnog als thuiswonend aangemerkt in verband waarmee de over het jaar 2012 en de vanaf januari 2013 toegekende studiefinanciering is herzien naar de norm voor een thuiswonende studerende. Voorts zijn de bedragen die als gevolg van de herziening te veel aan betrokkene zijn betaald, teruggevorderd. Voor 2012 een bedrag van € 2.286,48 en voor 2013 een bedrag van € 390,-.

1.3. Bij besluit van 22 mei 2013 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 2 maart 2013 ongegrond verklaard. Aan de herziening en terugvordering heeft appellant het standpunt ten grondslag gelegd dat uit een verrichte controle is gebleken dat betrokkene niet woont op het adres waaronder hij in de GBA staat ingeschreven. De controle heeft bestaan uit een door twee controleurs afgelegd huisbezoek op 19 februari 2013 op het GBA-adres van appellant, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 22 februari 2013. Voorts is door een van de controleurs op 21 mei 2013 antwoord gegeven op vragen van appellant. Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de
Wsf 2000 heeft de herziening plaatsgevonden vanaf 1 januari 2012.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 2 maart 2013 herroepen voor zover daarbij de studiefinanciering over de periode van 1 januari 2012 tot 1 januari 2013 is herzien en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

De rechtbank is van oordeel dat appellant, gelet op de bevindingen van de controleurs tijdens het huisbezoek op 19 februari 2013 en de door betrokkene en de hoofdbewoners afgelegde verklaringen, terecht heeft geconcludeerd dat betrokkene ten tijde van de controle niet woonde op zijn GBA-adres. Betrokkene heeft om die reden niet voldaan aan de verplichting van artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000. Alsdan vloeit uit artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 dwingendrechtelijk voort dat herziening van de uitwonendenbeurs plaats dient te vinden vanaf 1 januari 2012. De wetsgeschiedenis alsook de duidelijke en niet voor tweeërlei uitleg vatbare bewoordingen van genoemde bepaling bieden geen aanknopingspunten voor een meer beperkte uitleg in die zin dat de herziening beperkt zou moeten worden tot de periode waarin de studerende daadwerkelijk niet aan de verplichting van artikel 1.5 van de Wsf 2000 heeft voldaan. De rechtbank is verder van oordeel dat betrokkene gevolgd moet worden in zijn stelling dat de door de controleurs aangetroffen woonsituatie slechts ziet op de periode vanaf januari 2013. De herziening strekt zich dan ook grotendeels uit over een periode waarin gesteld noch gebleken is dat van overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000 sprake was en gedurende welke ook overigens niet gebleken is dat aan de voorwaarden voor een uitwonendenbeurs niet werd voldaan. Nu deze herziening een verdergaande strekking heeft dan louter herstel van de rechtmatige toestand of het wegnemen van de gevolgen van de overtreding, heeft deze herziening in zoverre, anders dan de wetgever blijkens de wetsgeschiedenis voor ogen heeft gestaan, geen reparatoir maar een punitief karakter. De onderhavige herziening is in het licht van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet evenredig aan de ernst en verwijtbaarheid van de overtreding. De relatief korte periode - de maanden januari en februari 2013 - waarin van overtreding sprake is geweest rechtvaardigt geen herziening over een periode van veertien maanden. De rechtbank acht een toepassing van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 die er toe leidt dat de herziening beperkt blijft tot de maanden waarin artikel 1.5 van de Wsf 2000 is overtreden (daarom de maanden januari en februari 2013) evenredig aan de aan betrokkene te verwijten gedraging.

3.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij is geoordeeld dat de herziening in het geval van betrokkene een punitief karakter heeft. Daartoe is aangevoerd dat artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, naast de voorwaarden op grond van artikel 1.5 van de Wsf 2000, een additionele voorwaarde bevat voor het recht op een uitwonendenbeurs. Die voorwaarde is dat over de periode gedurende welke de studerende ingeschreven staat op een bepaald adres in de GBA niet op enig moment is geconstateerd dat de studerende niet feitelijk op dit adres woont. Nu betrokkene niet aan deze voorwaarde voldoet heeft hij met ingang van 1 januari 2012 geen recht op een uitwonendenbeurs en is de herziening vanaf 1 januari 2012 zuiver reparatoir van aard.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1. In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidt met ingang van
10 december 2011, wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5.

4.1.2. Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de GBA staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de GBA staat of staan ingeschreven.

4.1.3. Op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 kan herziening plaatsvinden op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens.

4.1.4. Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, voor zover hier van belang, vindt de herziening - volgens het opschrift bij ‘niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5 door studerende’ - plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in de GBA.

4.1.5. In artikel 11.5 van de Wsf 2000 (hardheidsclausule) is door de wetgever aan appellant de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.2.

In de uitspraak van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1146, heeft de Raad appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 een (additionele) voorwaarde bevat voor het recht op een uitwonendenbeurs. Voor een uitgebreide beschrijving en beoordeling van de hier aan de orde zijnde wettelijke systematiek wordt naar die uitspraak verwezen. In essentie komt het op het volgende neer. De voorwaarden om in aanmerking te komen voor studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende studerende zijn, voor zover hier van belang, door de wetgever neergelegd in artikel 1.5 van de Wsf 2000. Daarnaast heeft de wetgever, vanuit het oogpunt van een effectieve fraudebestrijding, artikel 9.9, tweede lid, in de Wsf 2000 ingevoerd. Dit artikellid geeft een wettelijk vermoeden dat de op een bepaald moment vastgestelde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000 bestaat vanaf het moment waarop de studerende zijn laatste adreswijziging in de GBA heeft ingeschreven. Het wettelijk vermoeden kan door de studerende worden weerlegd. Daarvoor is vereist dat de studerende bewijs levert op grond waarvan onomstotelijk blijkt dat hij gedurende (een deel van) de periode voorafgaand aan de vastgestelde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000 feitelijk wel woonde op het betreffende GBA-adres. Slaagt de studerende in het leveren van dat bewijs dan moet de Minister onder toepassing van de hardheidsclausule afwijken van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 en daarmee over die periode van herziening afzien.

4.3.

Omdat appellant in zijn beroepschrift in hoger beroep niet is opgekomen tegen het expliciete oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000 in het jaar 2012, staat dat oordeel tussen partijen in hoger beroep vast. Het wettelijk vermoeden van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 moet dan ook ten aanzien van het
jaar 2012 geacht worden te zijn weerlegd. Gelet op wat is overwogen in 4.2, betekent dit dat appellant onder toepassing van de hardheidsclausule had moeten afwijken van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, en van herziening en terugvordering over het jaar 2012 had moeten afzien.

4.4.

Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Omdat het hoger beroep niet slaagt en de rechtbank het bestreden besluit terecht heeft vernietigd, is er aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 974,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 974,-;

  • -

    bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 478,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en W.H. Bel en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014.

(getekend) J. Brand

(getekend) G.J. van Gendt

RK