Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2757

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-08-2014
Datum publicatie
18-08-2014
Zaaknummer
12-3134 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit 2: Er is geen adequate reactie geweest op de brief van appellante van 16 oktober 2009, nu appellante blijkens het verhandelde ter zitting met die brief een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 43a van de WAO heeft willen doen. Vernietiging uitspraak. Beroep gegrond. Besluit 3: Uit de veelheid van medische gegevens is niet komen vast te staan dat de klachten en ervaren beperkingen van appellante toegeschreven kunnen worden aan CVID en dat op grond daarvan in 2006 sprake is geweest van toegenomen beperkingen als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak. De volgens appellante niet te volgen passage in bestreden besluit 3 betreft een overweging waarin gesproken is over arbeidsongeschiktheid die het gevolg was van dezelfde ziekteoorzaak en waar het woord “niet” is weggevallen. Nu uit de context blijkt dat het een kennelijke misslag betreft, verbindt de Raad hier geen gevolgen aan. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3134 WAJONG, 12/3135 WAO, 13/3856 WAO

Datum uitspraak: 1 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Maastricht van

23 april 2012, 11/571 (aangevallen uitspraak 1) en 12/42 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.P.M. Hogervorst, advocaat, tegen beide uitspraken hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hogervorst. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. R. Spanjer.

Nadat het onderzoek ter zitting is geschorst, hebben partijen nadere stukken ingediend.

Op 5 juni 2013 heeft het Uwv een nieuw besluit genomen. Appellante heeft hierop haar zienswijze gegeven.

Bij brief van 14 januari 2014 heeft het Uwv een medisch rapport ingezonden.

Op 9 mei 2014 heeft een tweede zitting plaatsgevonden. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hogervorst. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante, geboren [in] 1983, was vanaf november 2001 als kassière werkzaam gedurende 32 uur per week. In december 2002 is zij vanwege psychische en beenklachten ziek gemeld. Na het doorlopen van de wettelijke wachtperiode van 52 weken, is haar bij besluit van 14 november 2003 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd, omdat zij geschikt werd geacht passende werkzaamheden te verrichten. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2. Bij brief van 16 oktober 2009 heeft appellante verzocht om een herbeoordeling op grond van de WAO.

12/3134 Wet Wajong

1.3. Op 25 maart 2010 heeft het Uwv ontvangen een op 27 januari 2010 ondertekende aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). In verband met de per 1 januari 2010 in werking getreden Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) heeft appellante op

24 april 2010 het daartoe bestemde aanvraagformulier retour gezonden. Bij arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv geoordeeld dat appellante met haar werkzaamheden als kassière 89% van het maatmaninkomen heeft verdiend, waardoor zij niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van uitkering op grond van de Wet Wajong. Bij besluit van 9 juni 2010 heeft het Uwv de aanvraag om arbeidsondersteuning afgewezen. Bij besluit van 25 februari 2011 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het hiertegen ingediende bezwaar na onderzoek door de bezwaararbeidsdeskundige ongegrond verklaard.

2.

In beroep tegen bestreden besluit 1 heeft appellante onder meer aangevoerd, dat het verzoek om een herbeoordeling in oktober 2009 is gedaan en de aanvraag daarom ten onrechte is beoordeeld op grond van de Wet Wajong.

3.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat, anders dan appellante voorstaat, het bestreden besluit 1 gezien de datum van aanvraag op een juiste wettelijke grondslag berust. De brief van appellante van 16 oktober 2009 heeft het Uwv op goede gronden niet als een aanvraag om uitkering op grond van de (tot 1 januari 2010 geldende) Wajong aangemerkt, omdat appellante uitdrukkelijk herbeoordeling vroeg van haar aanspraak op een

WAO-uitkering. Gezien het arbeidsverleden van appellante, dat niet bestreden is, is appellante in staat geweest ten minste 75% van het maatmaninkomen te verdienen en is zij volgens de rechtbank terecht niet als jonggehandicapte aangemerkt in de zin van artikel 2:3 van de Wet Wajong.

4.

In hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 heeft appellante onder meer aangevoerd, dat het Uwv ten onrechte heeft afgezien van een medisch onderzoek. Met verwijzing naar rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2013:1816) heeft het Uwv alsnog een medisch onderzoek verricht. Dit heeft geen wijziging gebracht in het standpunt van het Uwv inzake de aanspraak op arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet Wajong.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Over aangevallen uitspraak 1 wordt overwogen dat het Uwv in eerste instantie overeenkomstig de werkinstructie ‘Instructie beoordeling laattijdige aanvragen Wet Wajong’ had afgezien van een medisch onderzoek. In de in rechtsoverweging 4 genoemde uitspraak heeft het Uwv aanleiding gezien alsnog een medisch onderzoek te verrichten. Op grond hiervan dient aangevallen uitspraak 1 te worden vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is gegrond. Bestreden besluit 1 wordt vernietigd.

5.2.

Beoordeeld moet worden of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. Deze vraag wordt bevestigend beantwoord. In dit verband wordt overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 10 januari 2014 heeft toegelicht dat een brief van internist dr. P. van Paassen een uitgebreide weergave bevat van de medische voorgeschiedenis, waarin geen ernstige infectueuze problematiek is beschreven die zou moeten leiden tot duurzame beperkingen, totdat appellante in 2006 een ernstige pneumonie ontwikkelde, op grond waarvan nader onderzoek aangewezen werd geacht. Bij de

WAO-beoordeling in 2003 had de verzekeringsarts informatie van de huisarts betrokken. De bezwaarverzekeringsarts heeft overwogen dat in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten te vinden zijn om tot de conclusie te komen dat appellante niet in staat is geweest haar functie bij de [naam supermarkt] te vervullen. In de stelling van appellante dat zij wel wil, maar niet kan werken, welk standpunt appellante niet met nadere medische gegevens heeft onderbouwd, wordt geen aanleiding gezien het standpunt van het Uwv niet te volgen.

12/3135 WAO en 13/3856 WAO

6.

Naar aanleiding van een verzoek van appellante om terug te komen van het onder 1.1 genoemde WAO-besluit heeft het Uwv na een medisch onderzoek bij besluit van

31 maart 2011 geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan het besluit van 14 november 2003 moet worden herzien. Het hiertegen ingediende bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 30 november 2011 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Daaraan lag een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 18 november 2011 ten grondslag.

7.

In beroep tegen bestreden besluit 2 heeft appellante aangevoerd dat het besluit van

14 november 2003 berust op een onjuiste medische grondslag omdat geen rekening is gehouden met de in 2006 gestelde diagnose Common Variable Immunodeficientie (CVID), die een veelheid van steeds terugkerende klachten van appellante zou verklaren.

8.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft met verwijzing naar rechtspraak van de Raad geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

9.

Appellante heeft in hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de in 1.2 genoemde brief kon worden opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 14 november 2003.

10.

Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting op 14 maart 2013 heeft het Uwv onderzocht in hoeverre in 2006 sprake is geweest van toegenomen beperkingen ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak. Bij besluit van 5 juni 2013 (bestreden besluit 3) heeft het Uwv te kennen gegeven dat medio 2006 geen sprake is geweest van toegenomen beperkingen, voortvloeiende uit dezelfde ziekteoorzaak. Daaraan lag een medisch onderzoek van

22 mei 2013 ten grondslag.

11.

Appellante heeft zich niet met bestreden besluit 3 kunnen verenigen. Zij heeft aangevoerd dat de omstandigheid dat haar beperkingen in 2003 niet konden worden toegeschreven aan een infectueuze aandoening niet doorslaggevend is, omdat artsen onderzoeken niet altijd volledig uitvoeren en zaken over het hoofd zien, of achteraf bezien foutieve conclusies trekken. Verder is gewezen op een niet begrijpelijke passage in bestreden besluit 3. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij rapport van 10 januari 2014 hierop gereageerd.

12.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

12.1.

Over aangevallen uitspraak 2 wordt overwogen dat het Uwv te kennen heeft gegeven dat bestreden besluit 2 - om een niet aan het Uwv te verwijten reden - geen adequate reactie is geweest op de brief van appellante van 16 oktober 2009, nu appellante blijkens het verhandelde ter zitting met die brief een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 43a van de WAO heeft willen doen. Aangevallen uitspraak 2 dient op grond hiervan te worden vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is gegrond; bestreden besluit 2 wordt vernietigd. Voor een proceskostenvergoeding in beroep of hoger beroep bestaat geen aanleiding omdat appellante gedurende de bezwaar- beroeps- en hoger beroepsprocedure niet helder en consistent is geweest over wat zij met haar brief van

16 oktober 2009 beoogde. Er is onder deze omstandigheden geen sprake van kosten die een partij in verband met de behandeling van het beroep in redelijkheid heeft moeten maken in de zin van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.

12.2.

Over bestreden besluit 3 wordt overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapporten van 22 mei 2013 en 10 januari 2014 heeft toegelicht dat in 2006 het stellen van de diagnose CVID, waardoor sprake is van een verhoogde infectiegevoeligheid, niet betekent dat de gedurende de jaren ervoor voorkomende klachten alle aan die ziekte kunnen worden toegeschreven. Uit de veelheid van medische gegevens is niet komen vast te staan dat de klachten en ervaren beperkingen van appellante toegeschreven kunnen worden aan CVID en dat op grond daarvan in 2006 sprake is geweest van toegenomen beperkingen als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak. De volgens appellante niet te volgen passage in bestreden besluit 3 betreft een overweging waarin gesproken is over arbeidsongeschiktheid die het gevolg was van dezelfde ziekteoorzaak en waar het woord “niet” is weggevallen. Nu uit de context blijkt dat het een kennelijke misslag betreft, verbindt de Raad hier geen gevolgen aan. Het beroep tegen bestreden besluit 3 is ongegrond.

13.

Gelet op rechtsoverwegingen 5.1, 5.2 en 12.1 en 12.2 ziet de Raad aanleiding het Uwv met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van kosten van het bezwaar en vergoeding van proceskosten in beroep en hoger beroep. De kosten van het bezwaar worden begroot op 2 x € 487,- = € 974,- (indiening bezwaarschrift en bijwonen zitting). De proceskosten van beroep worden bepaald op 2 x € 487,- = € 974,- (indiening beroepschrift en bijwonen zitting). De kosten van het hoger beroep worden vastgesteld op

3

x € 487,- = € 1.461,- (indiening beroepschrift en tweemaal bijwonen zitting).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt aangevallen uitspraak 1;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 25 februari 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 25 februari 2011 in stand blijven;

  • -

    vernietigt aangevallen uitspraak 2;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 30 november 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 5 juni 2013 ongegrond;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van bezwaar tot een bedrag van € 974,-, en in de

proceskosten van beroep tot een bedrag van € 974,-;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten in hoger beroep tot een bedrag van € 1.461,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 82,- en € 230,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en E.W. Akkerman en L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2014.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) I.J. Penning

RK