Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2754

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-07-2014
Datum publicatie
18-08-2014
Zaaknummer
12-5250 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat appellant aan de brief van

24 september 2007 wel het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat hij over 2008 geen buitenlandbijdrage verschuldigd was. Vernietiging uitspraak. Beroep gegrond. Vernietiging besluit. Herroept het besluit van 15 juli 2011.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/307
NJB 2014/1586
AB 2015/424

Uitspraak

12/5250 ZVW

Datum uitspraak: 16 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

10 augustus 2012, 11/4969 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (Spanje) (appellant)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) zijn de bevoegdheden van Cvz per

1 april 2014 overgegaan naar Zorginstituut. In deze uitspraak wordt onder Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2014. Appellant is verschenen. Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant woont in Spanje en ontvangt sinds juli 2005 een uitkering op grond van de Algemene Oudersdomswet (AOW). Ingevolge de met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden Zorgverzekeringswet (Zvw) is appellant door Zorginstituut als verdragsgerechtigde aangemerkt en heeft hij op grond van de Verordening EEG nr. 1408/71 (Vo. 1408/71) recht op zorg in zijn woonland (Spanje) ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is op grond van artikel 69 van de Zvw een bijdrage verschuldigd (de buitenlandbijdrage). Appellant is hiervan op de hoogte gebracht door Zorginstituut bij brieven van 28 november 2006 en

1 december 2006.

1.2.

Bij brief van 1 februari 2007 heeft appellant aan Zorginstituut bevestigd dat hij het inschrijvingsformulier E121 ontvangen had. In die brief heeft appellant te kennen gegeven dat hij van mening was dat invulling en overlegging van dat formulier aan het verzekeringsorgaan in Spanje voor hem niet van toepassing was omdat hij in Spanje meeverzekerd was met zijn aldaar werkzame echtgenote en hij tevens een particuliere ziektekostenverzekering had afgesloten.

1.3.

Bij brief van 6 maart 2007 heeft Zorginstituut gereageerd op de brief van appellant van

1 februari 2007. Zorginstituut heeft aangegeven dat het bevoegd orgaan van het woonland moest bevestigen dat sprake was van een prevalerend recht. Zolang dat niet was gebeurd zou appellant de buitenlandbijdrage verschuldigd zijn.

1.4.

Het bevoegd orgaan in Spanje, de Instituto Nacional de la Seguridad Social (INSS) heeft op 16 april 2007 op het E121 inschrijvingsformulier aan Zorginstituut bevestigd dat appellant vanaf 12 december 2006 recht heeft op medische zorg in Spanje ten laste van Nederland.

1.5.

Bij brief van 14 mei 2007 heeft appellant een kopie van een formulier van het secretariaat van de INSS, gedateerd op 16 april 2007, naar Zorginstituut gestuurd waarop is vermeld dat appellant recht heeft op geneeskundige hulp op grond van het Spaanse verzekeringsstelsel. Hieruit bleek, aldus appellant, duidelijk dat betaling van de buitenlandbijdrage in zijn geval niet aan de orde was.

1.6.

Op 14 augustus 2007 heeft Zorginstituut een afmeldingsformulier 108 voor appellant naar het INSS gestuurd met het verzoek het 108-formulier binnen zes weken ingevuld te retourneren.

1.7.

Bij brief van 24 september 2007 heeft de Sociale verzekeringsbank (Svb) appellant in kennis gesteld van het feit dat op verzoek van Zorginstituut met ingang van april 2007 geen buitenlandbijdrage meer zou worden ingehouden op zijn AOW-pensioen en dat de reeds ten onrechte ingehouden bijdragen over april 2007 tot en met september 2007 zouden worden gerestitueerd.

1.8.

Bij besluit van 15 juli 2011 heeft Zorginstituut de voorlopige jaarafrekening van de door appellant verschuldigde buitenlandbijdrage over 2008 vastgesteld op € 620,41. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze jaarafrekening. Zorginstituut heeft het bezwaar van appellant bij besluit van 9 september 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat niet in geschil is dat appellant in het jaar 2008 verdragsgerechtigd was en dat daarom een buitenlandbijdrage verschuldigd was. Het feit dat Zorginstituut de Svb abusievelijk heeft verzocht met ingang van april 2007 geen inhoudingen meer te verrichten op het AOW-pensioen van appellant, doet daaraan niet af. De brief van de Svb van 24 september 2007 is volgens de rechtbank niet aan te merken als een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging van het bevoegde orgaan, omdat niet de Svb maar Zorginstituut bevoegd is om te bepalen of iemand verdragsgerechtigd is. De rechtbank achtte verder van belang dat in de brief van

24 september 2007 niet is vermeld dat appellant niet (meer) verdragsgerechtigd is.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en daarbij in het bijzonder aangevoerd dat hij aan de brief van de Svb van 24 september 2007 het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hij in 2008 geen buitenlandbijdragen verschuldigd was en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake was van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging in de brief van de Svb van 24 september 2007.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het door Zorginstituut ingenomen en door de rechtbank onderschreven standpunt dat de Svb niet de bevoegdheid toekomt om te bepalen of iemand verdragsgerechtigd is in de zin van de Zvw is juist. Echter, bij de op 1 augustus 2008 in werking getreden Wet van 29 mei 2008 (Stb. 2008, nr. 277) tot wijziging van de Zvw in verband met de rechtsgang bij inhouding van de bijdrage van verdragsgerechtigden (rechtsgang bronheffing verdragsgerechtigden) is in artikel II het volgende bepaald: “Een beschikking tot het heffen of inhouden van de bijdrage, bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet, door organen die pensioenen of renten uitkeren, dan wel het inhouden van die bijdrage zelf, geldt als een beschikking van het College zorgververzekeringen, indien deze beschikking werd genomen of deze inhouding plaatsvond tussen 1 januari 2006 en de inwerkingtreding van deze wet.

4.2.

Uit deze bepaling volgt dat een in de periode van 1 januari 2006 tot 1 augustus 2008 door de Svb genomen beslissing over het inhouden - en niet (meer) inhouden - van de buitenlandbijdrage wordt toegerekend aan Zorginstituut. Daarom moet ook de brief van de Svb van 24 september 2007, waarbij appellant in kennis is gesteld van de inhoudingsbeschikkingen met betrekking tot zijn AOW-pensioen worden toegerekend aan Zorginstituut. In de brief van de Svb van 24 september 2007 is weliswaar niet uitdrukkelijk vermeld dat appellant niet verdragsgerechtigd is, maar wel is vermeld dat (de Svb in opdracht van) Zorginstituut heeft geconstateerd dat de buitenlandbijdrage ‘ten onrechte’ is ingehouden op het pensioen van appellant en dat hij met ingang van 1 april 2007 recht heeft op een pensioenbedrag waarop geen buitenlandbijdrage zal worden ingehouden.

4.3.

Gelet op de voorgeschiedenis zoals weergegeven in de rechtsoverwegingen 1.2 tot en met 1.8, is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat appellant aan de brief van

24 september 2007 wel het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat hij over 2008 geen buitenlandbijdrage verschuldigd was. Daarbij is het volgende van belang.

4.4.

Op de brief van appellant van 1 februari 2007 heeft Zorginstituut met de brief van

6 maart 2007 gereageerd. In die brief heeft Zorginstituut appellant in kennis gesteld van het feit dat voor een prevalerend recht bevestiging door het bevoegde orgaan in Spanje nodig is. Uit de gedingstukken blijkt niet dat het Zorginstituut op de brief van appellant van

14 mei 2007, waarin hij stelde die bevestiging ontvangen te hebben, heeft gereageerd. Het is daarom aannemelijk dat appellant in de veronderstelling verkeerde dat zijn brief van

14 mei 2007 had geleid tot de opdracht aan de Svb om geen buitenlandbijdrage meer in te houden op zijn pensioen, zoals hem te kennen is gegeven door de Svb in de brief van

24 september 2007. Weliswaar is in die brief niet expliciet vermeld dat appellant niet verdragsgerechtigd is, maar de in de brief opgenomen zin dat de buitenlandbijdrage ten onrechte was opgelegd aan appellant is niet zodanig geformuleerd dat appellant daaruit had moeten begrijpen dat hier een fout of vergissing door Zorginstituut aan de orde was.

4.5.

Onder deze omstandigheden en gelet op artikel II van de in rechtsoverweging 4.1 genoemde Wet van 29 mei 2008 is de brief van de Svb aan te merken als een duidelijke, ondubbelzinnige en uitdrukkelijke toezegging van het tot een dergelijke toezegging bevoegde orgaan en kon appellant daaraan het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat hij over 2008 geen buitenlandbijdrage verschuldigd was.

4.6.

De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, net als het bestreden besluit dat ten onrechte in stand is gelaten. De Raad zal het besluit van 15 juli 2011 herroepen.

4.7.

De Raad geeft appellant in overweging Zorginstituut te benaderen in verband met de tenuitvoerlegging van deze uitspraak en de (achterwege te laten) invordering van het in de definitieve jaarafrekening van 2008 - welk besluit in deze procedure niet voorligt, maar die identiek is aan het te herroepen primaire besluit - vermelde bedrag.

5.

Er bestaat aanleiding voor een veroordeling van Zorginstituut in de proceskosten van appellant, bestaande uit reiskosten. Deze kosten worden begroot op in totaal € 350,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 9 september 2011;

- herroept het besluit van 15 juli 2011;

- veroordeelt Zorginstituut in de kosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 350,-;

- bepaalt dat Zorginstituut aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en W.H. Bel en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2014.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) E. Heemsbergen

IvZ