Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2752

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-08-2014
Datum publicatie
15-08-2014
Zaaknummer
12-5799 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Het Uwv heeft op basis van alle beschikbare medische gegevens terecht het standpunt ingenomen dat geen sprake is geweest van toename van de medische beperkingen van appellante. Een arbeidskundig onderzoek kon achterwege blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5799 WAO

Datum uitspraak: 6 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 september 2012, 12/4037 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.T.F. Chocolaad, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Chocolaad heeft zich teruggetrokken als gemachtigde.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2014. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft in verband met psychische klachten haar werk als tolk/vertaalster na afloop van een zwangerschapsverlof per 3 oktober 2003 niet hervat. Het Uwv heeft haar met ingang van 14 juni 2004 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 15 april 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering met ingang van

14 juni 2005 ingetrokken, op de grond dat de arbeidsongeschiktheid van appellante was afgenomen naar minder dan 15%. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte is komen vast te staan.

1.3. Appellante heeft met een door haar op 15 november 2011 ondertekend formulier aan het Uwv melding gedaan van een volgens haar per 2007 verslechterde gezondheid en een

WAO-uitkering aangevraagd.

1.4. Bij besluit van 8 december 2011 heeft het Uwv geweigerd een WAO-uitkering aan appellante toe te kennen. Aan dit besluit ligt een medische beoordeling van een verzekeringsarts ten grondslag. De verzekeringsarts heeft op basis van de anamnese vastgesteld dat appellante zich met ingang van 1 januari 2009 in verband met onder meer angst- en spanningsklachten toegenomen arbeidsongeschikt acht. Volgens de verzekeringsarts is de belastbaarheid nog steeds zoals in beeld is gebracht tijdens het vorige onderzoek in oktober 2004 en is er na 1 januari 2009 geen aaneengesloten periode van vier weken van toegenomen beperkingen aantoonbaar.

1.5. Naar aanleiding van het namens appellante tegen het besluit van 8 december 2011 gemaakte bezwaar heeft het Uwv een nader onderzoek laten verrichten door een bezwaarverzekeringsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld dat, gelet op het feit dat de WAO-uitkering is ingetrokken per 14 juni 2005 en gelet op de in artikel 43a van de WAO genoemde termijn van vijf jaar, haar onderzoek de periode betreft van 1 januari 2009 tot 14 juni 2010. De bezwaarverzekeringsarts heeft in het zich onder de stukken bevindende journaal van de huisarts geen aanwijzingen gevonden voor psychische decompensatie in deze periode. Zij heeft dan ook geen reden gezien af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts. Onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 5 april 2012 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat zij binnen vijf jaar na de intrekking van de WAO-uitkering opnieuw arbeidsongeschikt is geworden en dat deze arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit dezelfde oorzaak op grond waarvan haar in 2004 de WAO-uitkering is toegekend.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals ter zitting reeds is meegedeeld, worden de stukken, die appellante bij een ongedateerde, door de Raad op 25 juni 2014 ontvangen, brief nog heeft ingezonden buiten beschouwing gelaten. Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Appellante heeft deze termijn niet in acht genomen. Niet valt in te zien waarom appellante het omvangrijke pakket stukken niet eerder had kunnen inbrengen.

4.2.

Net als de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag heeft gelegen dat de daaruit getrokken conclusie kan dragen dat van toegenomen arbeidsongeschiktheid van appellante in de relevante periode geen sprake is geweest. De verzekeringsarts heeft appellante gezien, psychisch en lichamelijk onderzoek verricht, acht geslagen op de aanwezige informatie van de behandelend sector en in zijn rapport van 1 december 2011 uiteengezet dat de belastbaarheid van appellante overeenkomt met haar belastbaarheid zoals omschreven in de zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst van 15 oktober 2004. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij haar heroverweging de door appellante aangedragen gegevens van de psychiaters H.J. Weisz en J.H. Bent betrokken. Niet in geschil is dat appellante ruim na de te beoordelen periode in verband met exacerbatie van paniekaanvallen bij Bent in behandeling is gekomen. Uit de informatie van Weisz en van de huisarts van appellante valt geen psychische decompensatie in de periode van 1 januari 2009 tot 14 juni 2010 af te leiden.

4.3.

Appellante heeft in beroep noch in hoger beroep medische gegevens ingebracht die aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts doen twijfelen. Appellante is ter zitting uitvoerig ingegaan op de voor haar ontstane problematiek vanaf 2010, onder meer in verband met het ontbreken van voldoende financiële middelen, en later opgekomen gezondheidsklachten. Daarin worden geen aanwijzingen gevonden voor haar stelling dat het Uwv niet op goede gronden tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

4.4.

Gelet op het feit dat het Uwv op basis van alle beschikbare medische gegevens terecht het standpunt heeft ingenomen dat geen sprake is geweest van toename van de medische beperkingen van appellante, kon een arbeidskundig onderzoek achterwege blijven.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2014.

(getekend) M. Greebe

(getekend) S. Aaliouli

IvZ