Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2750

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2014
Datum publicatie
15-08-2014
Zaaknummer
12-1150 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Zorgvuldig onderzoek bezwaarverzekeringsarts. Het besluit berust op een zorgvuldige medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/1150 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

17 januari 2012, 11/2014 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Carels, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens zijn namens appellant bij een viertal brieven nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2014. Appellant is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Carels. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft op 10 januari 2000 zijn werk als algemeen medewerker in dienst van een autogroothandel gestaakt wegens rugklachten. Het Uwv heeft met ingang van 8 januari 2001 aan appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, gebaseerd op de mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Met ingang van 14 februari 2001 is de mate van arbeidsongeschiktheid herzien naar de klasse van 35 tot 45%.

1.2. In 2007 is appellant in dienst getreden van[BV] als autoverkoper/algemeen medewerker. Op 6 oktober 2008 heeft appellant deze werkzaamheden gestaakt wegens toegenomen klachten. Vervolgens heeft appellant gedurende 104 weken ziekengeld ontvangen.

1.3. Bij besluit van 11 februari 2011 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 4 oktober 2010 ongewijzigd vastgesteld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. Bij besluit van 14 februari 2011 heeft het Uwv de aan appellant toegekende WAO-uitkering met ingang van 11 april 2011 herzien en nader vastgesteld naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Aan deze besluiten liggen onderzoeken en rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige ten grondslag.

1.4. Bij besluit van 10 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het namens appellant tegen het besluit van 11 februari 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het bezwaar gericht tegen het besluit van 14 februari 2011 gegrond verklaard. Het Uwv heeft nader besloten de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 11 april 2011 vast te stellen in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de door appellant overgelegde medische informatie de rechtbank niet heeft doen twijfelen aan de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellant is er volgens de rechtbank niet in geslaagd aan te tonen dat hij ten tijde in geding in medisch opzicht meer beperkt was dan door de bezwaarverzekeringsarts in de aangescherpte Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 26 juli 2011 is vastgesteld. Verder is overwogen dat de aan appellant voorgehouden functies geen overschrijdingen opleveren van zijn belastbaarheid in 2011.

3.1.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat voor hem meer beperkingen gelden dan het Uwv heeft aangenomen en dat hij in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse ingedeeld moet worden. Ter ondersteuning van die stelling is een rapport van medisch adviseur W.C.G. Blanken van 16 april 2012 overgelegd. Blanken merkt op dat er aanleiding is te veronderstellen dat er bij appellant aanwijzingen bestaan voor psychische problemen en een afwijking van de stemming. Ten onrechte is volgens Blanken door het Uwv geen onderzoek gedaan naar de psychische aspecten. Daar was volgens hem wel aanleiding toe, mede omdat daaruit beperkingen ten aanzien van het persoonlijk functioneren zouden kunnen blijken.

3.2.

De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar reactie opgemerkt dat zij - anders dan

Blanken - appellant zelf heeft gezien tijdens de hoorzitting en het medisch onderzoek en dat zij daarbij wel degelijk onderzoek heeft gedaan naar de psychische problematiek. Zij heeft aandacht besteed aan diverse aspecten van het persoonlijk en sociaal functioneren van appellant, maar heeft geen aanleiding gezien om terzake beperkingen op te nemen in de FML.

3.3.

Namens appellant zijn in hoger beroep onder meer brieven overgelegd van zijn huisarts en van een psychiater. De huisarts merkt in zijn brief van 28 maart 2012 op dat appellant zeer chronische idiopathische klachten over lage rug en benen heeft en dat hij sinds 2008 psychische klachten aan het ontwikkelen is. Appellant is erg down, komt tot niets en heeft een neiging tot depressie aldus de huisarts. Psychiater F.M.J. Bruggeman concludeert in haar brief van 17 januari 2013, naar aanleiding van gesprekken met appellant in december 2012 en januari 2013, dat sprake is van een gedecompenseerde persoonlijkheidsproblematiek, uitgelokt door een als krenkend ervaren arbeidsconflict. Appellant is volgens haar moeilijk in staat de krenking te integreren en reageert daarop met psychische en lichamelijke klachten. Er is volgens de psychiater sprake van stemmingsklachten die geclassificeerd kunnen worden als een depressie in engere zin.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 4 oktober 2010 ongewijzigd heeft vastgesteld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45% en appellant per 11 april 2011 terecht heeft ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of het Uwv in voldoende mate rekening heeft gehouden met de toen voor appellant geldende beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid in verband met zijn lichamelijke en psychische klachten.

4.2.

Ten aanzien van de lichamelijke klachten van appellant moet vastgesteld worden dat uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat rekening is gehouden met alle door appellant genoemde lichamelijke klachten. Op grond van deze klachten zijn diverse beperkingen in de FML opgenomen. Aldus is op zorgvuldige wijze onderzoek gedaan. Namens appellant zijn voorts geen medische of andere gegevens aangedragen met betrekking tot de lichamelijke klachten, waaruit meer of andere beperkingen voor hem blijken. Daarbij wordt erop gewezen dat ook de door appellant ingeschakelde medisch adviseur in zijn brief heeft vermeld dat niet gesteld kan worden dat er aanleiding is het belastbaarheidspatroon aan te passen.

4.3.

Ten aanzien van de psychische klachten van appellant blijkt uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 26 juli 2011 dat zij daar aandacht aan heeft besteed. In het rapport is vermeld dat er geen medische argumenten zijn voor beperkingen ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren, omdat er geen aanwijzingen zijn voor het bestaan van manifeste psychopathologie dan wel cognitieve defecten. Er lijkt volgens de bezwaarverzekeringsarts wel een zekere onmacht te bestaan voor het omgaan met de fysieke klachten, maar dit valt volgens haar niet onder een medische diagnose te vatten. Deze beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts is in beroep niet namens appellant betwist. Eerst in hoger beroep is aangevoerd dat voor appellant ook beperkingen bestaan ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren, maar ter ondersteuning van die stelling zijn geen medische gegevens overgelegd - daterend van rond de data in geding - waaruit kan worden afgeleid dat toen al sprake was van psychische klachten die aanleiding gaven beperkingen aan te nemen in de FML. De huisarts stelt in zijn hiervoor genoemde brief weliswaar dat appellant sinds 2008 psychische klachten aan het ontwikkelen is, maar over de aard en de ernst van die klachten op en rond de data in geding merkt hij niets op, zodat niet aangenomen kan worden dat toen al zodanige beperkingen bestonden. De brief van psychiater Bruggeman heeft betrekking op de psychische klachten van appellant in december 2012 en januari 2013, zijnde omstreeks twee jaar na de data in geding. Uit deze brief blijkt niets over de medische situatie van appellant in 2010 en 2011. Derhalve kan op grond van deze brief niet geconcludeerd worden dat op de data in geding al sprake was van psychische klachten van zodanige aard of ernst dat die aanleiding gaven beperkingen in de FML op te nemen.

4.4.

Geconcludeerd moet derhalve worden dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldige medische grondslag. Verder moet appellant, rekening houdend met de vastgestelde functionele mogelijkheden, in staat worden geacht de hem voorgehouden functies te vervullen.

4.5.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2014.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) S. Aaliouli

RK