Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2742

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2014
Datum publicatie
15-08-2014
Zaaknummer
12-3938 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3938 WIA

Datum uitspraak: 13 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 31 mei 2012, 11/5320 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J.B. Kops, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 23 augustus 2012 heeft appellant de gronden van het hoger beroep aangevuld en een rapport (met bijlagen) van 12 april 2012 van register-arbeidsdeskundige C. Dik doen inzenden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

In dit verweerschrift en bij rapport van 5 november 2012 van bezwaararbeidsdeskundige

R. van Heugten heeft het Uwv gereageerd op de brief van appellant en het rapport van Dik.

Op verzoek van de Raad heeft het Uwv informatie van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in een rapport van 31 maart 2014, en een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 25 april 2014 in het geding gebracht waarop door appellant bij brief van 16 juni 2014 is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kops, vergezeld van Dik. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens, vergezeld van bezwaararbeidsdeskundige

drs. W.A.M.H. Heijmans.

OVERWEGINGEN

1.

Appellant is 38 uur per week werkzaam geweest als onderhoudsmonteur bij [naam B.V.]. Op 30 juni 2009 heeft hij zijn werk gestaakt wegens rechter arm- en schouderklachten. Het Uwv heeft bij besluit van 13 mei 2011 vastgesteld dat per 28 juni 2011 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 6 september 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Daarbij is (samengevat) aangevoerd dat zijn medische beperkingen ernstiger zijn dan door het Uwv in navolging van de betrokken verzekeringsartsen is aanvaard. Verder acht appellant zich gelet op zijn medische beperkingen en bekwaamheden (laag opleidingsniveau en niet kunnen lezen) niet geschikt voor de geduide functies. Voorts heeft appellant bij de rechtbank aangevoerd dat bij de berekening van de mediane loonwaarde een fout gemaakt is. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft appellant informatie overgelegd van medisch adviseur R.I. Teulings en Dik.

2.2.

Bezwaarverzekeringsarts F.R.A. Declercq heeft bij rapport van 2 december 2011 gereageerd op de beroepsgronden en het rapport van Teulings en hierin gemotiveerd weergegeven waarom hij geen aanleiding heeft gezien om af te wijken van het oordeel van de primair verzekeringsgeneeskundige. De bezwaarverzekeringsarts heeft de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 mei 2011 gehandhaafd.

2.3.

De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden om het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts onjuist te achten. Aan dit oordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsarts de beroepsgronden en het rapport van Teulings voldoende heeft weerlegd. De door appellant ingebrachte medische gegevens hebben de rechtbank geen aanleiding gegeven te twijfelen aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank is bij haar verdere oordeelsvorming uitgegaan van de FML van 9 mei 2011.

2.4.1.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank vastgesteld dat de bezwaararbeidsdeskundige op basis van de eerder genoemde FML appellant geschikt acht voor de functies van magazijn, expeditiemedewerker (Sbc-code 111220), productie-medewerker industrie (Sbc-code 111180) en snackbereider (handmatig) (Sbc-code 111071). De rechtbank heeft na toetsing van deze functies en onder verwijzing naar de rapporten van bezwaararbeidsdeskundige Heijmans van 21 december 2011 en stafarbeidsdeskundige J.J. van der Naald van 27 december 2011 en 5 april 2012, geoordeeld dat de belastbaarheid van appellant in deze functies niet wordt overschreden. In haar beoordeling van de geschiktheid van de functies heeft de rechtbank het in beroep door appellant overgelegde rapport van Dik meegewogen en geoordeeld in dit rapport geen aanleiding te zien om af te wijken van het uitgangspunt dat in beginsel van de juistheid van de aan het gebruikte Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) ontleende gegevens uitgegaan wordt. De rechtbank heeft de kanttekening van Dik te algemeen van aard geacht en voorts geoordeeld dat bewijsmiddelen ontbreken die de in het rapport opgenomen kanttekeningen onderbouwen.

2.4.2.

Op basis van de inkomsten van de geselecteerde en door de bezwaararbeidsdeskundige geschikt bevonden functies heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage voor onjuist te houden en geoordeeld dat het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op minder dan 35% heeft vastgesteld en hem om die reden een uitkering ingevolge de Wet WIA per 28 juni 2011 heeft geweigerd. Het door appellant ingestelde beroep is dan ook ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant in essentie gelijke gronden aangevoerd als in eerste aanleg. Appellant stelt dat zijn medische beperkingen zijn onderschat en dat de rechtbank ten onrechte het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts heeft gevolgd en onvoldoende waarde heeft toegekend aan het rapport van Teulings. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende aanleiding is om een deskundige te raadplegen. Voorts heeft appellant ook in hoger beroep de juistheid van het CBBS ter discussie gesteld en aangevoerd dat hij ten onrechte in staat wordt geacht om functies op niveau 2 te verrichten aangezien appellant nauwelijks kan lezen en schrijven. Ter onderbouwing van zijn standpunten heeft appellant rapporten van Dik overgelegd en een rapport van het IWAL, instituten voor dyslexie.

3.2.

In verweer heeft het Uwv, mede op verzoek van de Raad, een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 31 maart 2014 overgelegd waarin deze motiveert waarom, mede gelet op de in beroep en hoger beroep overgelegde medische informatie, er geen reden is meer danwel andere beperkingen op te nemen dan opgenomen in de FML van 9 mei 2011. Voorts heeft het Uwv, in reactie op het rapport van Dik, onder overlegging van rapporten van

5 november 2012 van bezwaararbeidsdeskundige Van Heugten en 25 april 2014 van bezwaararbeidsdeskundige Heijmans en onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van 12 maart 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1058) erop gewezen dat de Raad zich meer malen over aspecten van het CBBS heeft uitgesproken en in zijn algemeenheid het CBBS als hulpmiddel bij de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid aanvaardbaar heeft geoordeeld. In hetgeen Dik over het leesniveau en de geschiktheid van de geselecteerde functies heeft opgemerkt, heeft de bezwaararbeidsdeskundige geen aanleiding gezien het door hem ingenomen standpunt daaromtrent voor onjuist te houden.

3.3.

Ter zitting van de Raad zijn partijen uitvoerig op de arbeidskundige rapporten ingegaan; zij hebben hun opvattingen dienaangaande gehandhaafd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit ziet de Raad geen aanleiding voor een ander oordeel dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gegeven.

4.1.1.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. Daarbij wordt van belang geacht dat appellant door zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts op het spreekuur is onderzocht en informatie van de behandelend sector bij de beoordeling van de belastbaarheid is meegewogen, hetgeen ook heeft geleid tot het aannemen van diverse beperkingen. Op basis van bevindingen uit het spreekuuronderzoek heeft de verzekeringsarts, vanwege appellants schouder- en armklachten, diverse beperkingen aangenomen. Het standpunt van Teulings, zoals verwoord in zijn rapport van

10 november 2011, dat appellant meer beperkt is dan door het Uwv aangenomen, wordt niet gevolgd. In zijn rapporten van 2 december 2011 en 31 maart 2014 heeft de bezwaarverzekeringsarts afdoende gemotiveerd waarom het rapport van Teulings en de in beroep overgelegde medische gegevens geen aanleiding geven om meer of andere beperkingen aan te nemen dan neergelegd in de FML van 9 mei 2011.

4.1.2.

In het hiervoor overwogene ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om appellant, als door hem bepleit, door een medisch deskundige te laten onderzoeken, nu dit voor de oordeelsvorming niet noodzakelijk wordt geacht.

4.2.

Het door appellant in hoger beroep ingebrachte rapport van Dik leidt de Raad, mede gelet op het commentaar van het Uwv en bezwaararbeidsdeskundige Heijmans, niet tot het oordeel dat de rechtbank ten onrechte de aan de schatting ten grondslag liggende functies magazijn, expeditiemedewerker (SBC-code 111220), productie-medewerker industrie (SBC-code 111180) en snackbereider (handmatig) (SBC-code 111071) voor appellant geschikt heeft geacht.

4.2.1.

In de eerste plaats ziet de Raad in de door Dik geuite kritiek van algemene aard op het door het Uwv bij de functieselectie gebruikte CBBS geen aanleiding dit als ondersteunend systeem voor de arbeidskundige oordeelsvorming niet aanvaardbaar te achten. Die kritiek is eerder al ook door anderen in gedingen bij de Raad verwoord en in een aantal uitspraken met betrekking tot het CBBS (zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2008:BG5758) door de Raad verworpen.

4.2.2.

Met betrekking tot de door Dik geuite twijfel of de omschrijvingen van de werkzaamheden in de geselecteerde functies wel corresponderen met de feitelijke omstandigheden, wijst de Raad op zijn uitspraak van 8 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6390, waarin is geoordeeld dat van de juistheid van de

CBBS-gegevens mag worden uitgegaan, tenzij die voldoende gemotiveerd worden bestreden of indien de rechter zelf aan de juistheid ervan twijfelt. In het onderhavige geval ziet de Raad in hetgeen Dik heeft aangevoerd geen aanleiding voor twijfel.

4.2.3.

De stelling van Dik dat appellant gelet op zijn leesproblemen, welke onderbouwd zijn met een rapport van IWAL, instituten voor dyslexie, niet in staat is de geduide functies te verrichten, wordt evenmin onderschreven. Allereerst wordt in dit kader van belang geacht dat uit het rapport van eerder genoemd instituut niet blijkt dat appellant in het geheel niet kan lezen. Voorts wordt van belang geacht dat appellant, ondanks zijn beperkte opleidingsniveau en met zijn zwakke leesvaardigheid, een langdurig arbeidsverleden heeft opgebouwd en daarbij werkzaam is geweest in diverse functies. Gelet hierop is de Raad met bezwaararbeidsdeskundige Heijmans, zoals verwoord in zijn rapport van 25 april 2014, van oordeel dat appellant in staat geacht moet worden om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, die praktisch en eenvoudig van aard zijn, te verrichten. In hetgeen door Dik in zijn rapport van 16 juni 2014 is aangevoerd, worden geen aanknopingspunten gezien het standpunt van de bezwaararbeidsdeskundige onjuist te achten.

4.3.

Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en J.J.T. van den Corput en M.M. van der Kade als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2014.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) H.J. Dekker

RK