Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2735

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2014
Datum publicatie
14-08-2014
Zaaknummer
12-4906 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoogte aflossingsbedrag. Het Uwv heeft appellant opnieuw verzocht om een formulier Inkomens- en vermogensonderzoek in te sturen. In het formulier heeft appellant als toelichting gegeven dat zijn echtgenote gelet op de financiële situatie genoodzaakt was om te gaan werken en haar loon € 810,- netto per maand bedraagt. Appellant heeft niet opnieuw een voorstel voor een aflossingsbedrag gedaan. Naar aanleiding van deze nieuwe gegevens heeft het Uwv vervolgens het aflossingsbedrag op € 675,81 gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4906 WAO

Datum uitspraak: 13 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

30 juli 2012, 12/711 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2014. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1.

Bij besluit van 3 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv, na bezwaar en voor zover hier van belang, zijn beslissing gehandhaafd dat appellant de op hem nog openstaande vordering van € 30.924,86 in 46 termijnen van € 675,81 dient af te lossen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het Uwv bij het vaststellen van het termijnbedrag dient uit te gaan van de volledige aflossingscapaciteit van appellant en terecht dat bedrag heeft berekend op € 675,81.

3.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat het Uwv ten onrechte is teruggekomen van de in eerste instantie uit coulance overwegingen getroffen voorlopige terugbetalingsregeling van € 100,- per maand. Volgens appellant heeft het Uwv daarmee gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. Appellant heeft de Raad verzocht om een terugbetalingsregeling vast te stellen die aansluit bij zijn financiële draagkracht.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betaling (de Regeling van 23 juni 2009, Stcrt. 2009, 117) dienen periodieke betalingen of verrekeningen zodanig te worden vastgesteld dat gebruik wordt gemaakt van de volledige aflossingscapaciteit van de schuldenaar.

4.2.

Om deze aflossingscapaciteit te kunnen vaststellen heeft appellant op 16 november 2010 het formulier Inkomens- en vermogensonderzoek ingestuurd. In dat formulier is aangekruist dat zijn echtgenote geen inkomsten uit loondienst ontvangt. Appellant heeft voorgesteld om
€ 100,- per maand af te lossen op de vordering die het Uwv op hem heeft. Kennelijk heeft het Uwv daarmee ingestemd.

4.3.

Bij brief van 5 oktober 2011 heeft het Uwv appellant opnieuw verzocht om een formulier Inkomens- en vermogensonderzoek in te sturen. In het formulier van 10 oktober 2011 heeft appellant als toelichting gegeven dat zijn echtgenote gelet op de financiële situatie genoodzaakt was om te gaan werken en haar loon € 810,- netto per maand bedraagt. Appellant heeft niet opnieuw een voorstel voor een aflossingsbedrag gedaan. Naar aanleiding van deze nieuwe gegevens heeft het Uwv vervolgens het aflossingsbedrag op € 675,81 gesteld. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 4, tweede lid, van de Regeling is dit juist.

4.4.

Conform vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2012:BW7853) kan een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen slagen als door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van een betrokkene uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd toezeggingen zijn gedaan die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem deze toezeggingen zijn gedaan. Daaraan doet niet af dat appellant vanwege een administratieve omissie van de zijde van het Uwv tot op heden steeds € 100,- per maand heeft afgelost.

4.5.

Tot slot wordt vastgesteld dat appellant het aflossingsbedrag niet inhoudelijk heeft betwist. Er is daarom geen aanleiding om een ander aflossingsbedrag vast te stellen zoals door hem is verzocht.

5.

Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2014.

(getekend) D.J. van der Vos

(getekend) D. Heeremans

IvZ