Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:273

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2014
Datum publicatie
05-02-2014
Zaaknummer
12-3342 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering kinderbijslag vanwege het ontbreken van een verblijfstitel als genoemd in art. 6 lid 2 AKW is niet in strijd met het internationale recht. Verwijzing naar ECLI:NL:CRVB:2013:994. Er bestaat geen aanleiding om de procedure aan te houden in afwachting van het VN-Mensenrechtencomité.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3342 AKW

Datum uitspraak: 31 januari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 april 2012, 11/3681 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Çakici-Reinders, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2013. Namens appellant is verschenen mr. J. Sprakel, kantoorgenoot van mr. Çakici-Reinders. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op [in 1] 1973 in Turkije geboren en heeft de Turkse nationaliteit. Hij is in december 2002 in Turkije gehuwd met [naam echtgenote]. Appellant verblijft sinds mei 2003 in Nederland. Een aanvraag om een asielvergunning is in december 2006, inmiddels onherroepelijk, afgewezen. Daarbij is appellant artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen. Bij besluit van 12 december 2006 is appellant voorts ongewenst verklaard. Zijn echtgenote is op 13 mei 2007 naar Nederland gekomen en verblijft hier sindsdien. Ook haar aanvraag om een asielvergunning is, inmiddels onherroepelijk, afgewezen. Op

[in 2] 2010 is hun dochter [naam dochter] geboren. De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van

22 december 2011 bepaald dat aan de echtgenote en dochter van appellant opvang op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) wordt verleend. Appellant maakt daar ook gebruik van.

1.2. Een aanvraag om kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) is bij beslissing van 8 juli 2011 afgewezen. Daarbij heeft de Svb overwogen dat appellant niet in aanmerking komt voor kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2010 omdat hij niet rechtmatig in Nederland verblijft. Het bezwaar tegen dit besluit is bij beslissing op bezwaar van 28 september 2011 ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Zij heeft bij haar oordeelsvorming de uitspraak van de Raad van 15 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR1905) in een aantal vergelijkbare zaken tot leidraad genomen. In die uitspraak heeft de Raad overwogen dat het beroep op diverse verdragsbepalingen niet kan leiden tot een uitzondering op het in artikel 6, tweede lid, van de AKW neergelegde koppelingsbeginsel. In het kader van de toetsing aan artikel 8 in samenhang met artikel 14 van het EVRM heeft de Raad het in artikel 6, tweede lid, van de AKW gemaakte onderscheid echter voor bepaalde nader omschreven gevallen niet gerechtvaardigd geacht. De rechtbank heeft geconcludeerd dat appellant niet voldoet aan de door de Raad geformuleerde voorwaarden. Het koppelingsbeginsel kan hem onverkort worden tegengeworpen. Dit betekent dat appellant aan het nationale en het internationale recht geen recht op kinderbijslag kan ontlenen.

3.1.

Tijdens de procedure in hoger beroep heeft de Hoge Raad op 23 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW7740) het beroep in cassatie, ingesteld door de Svb tegen de uitspraak van de Raad van 15 juli 2011, gegrond verklaard, de uitspraak van de Raad vernietigd en de onderliggende uitspraken van de rechtbanken bevestigd. De Hoge Raad heeft hiertoe overwogen dat het in artikel 6, tweede lid, van de AKW gemaakte onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus, ook in het geval van betrokkenen, een legitiem doel dient en ook in hun geval in een redelijke en proportionele verhouding staat tot dat legitieme doel, zodat voor dat onderscheid ook in hun geval een toereikende rechtvaardiging bestaat. Hierbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat het onderscheid niet hoeft te worden gerechtvaardigd door zeer gewichtige redenen, maar dat bepalend is of een dergelijk onderscheid wordt gerechtvaardigd door toereikende argumenten. In dat kader heeft de Hoge Raad onder meer van belang geacht dat het voorwerp van geschil de sociale zekerheid betreft, op welk gebied aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Voor de rechtvaardiging van de uitsluiting van bepaalde groepen vreemdelingen van het recht op kinderbijslag heeft de Hoge Raad, naast de (legitieme) doelstelling van de koppelingswetgeving, verder van betekenis geacht dat bij de ouders een eigen verantwoordelijkheid voor de opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen rust, waarbij kinderbijslag slechts is bedoeld als ondersteuning in de kosten daarvan en niet behoort tot de sociale voorzieningen die tot doel hebben te verhinderen dat gezinnen met kinderen onder het bestaansminimum leven. Hoewel het kind in zekere zin een eigen belang heeft bij de uitkering, heeft het geen zelfstandige aanspraak op kinderbijslag noch resulteert het eigen belang van het kind in een aanspraak van de ouders op kinderbijslag. Anders dan de Raad heeft

de Hoge Raad de omstandigheid dat een betrokkene met medeweten van de Staat langdurig in Nederland verblijft en door dit verblijf met zijn gezin een bepaalde band met de Nederlandse samenleving heeft kunnen opbouwen, in zijn beoordeling niet relevant geacht. Ook indien de band van de betrokkenen met Nederland zo sterk is geworden dat zij, naar de omstandigheden beoordeeld, hier te lande wonen in de zin van artikel 3 van de AKW, is volgens de Hoge Raad geen sprake van een bijzondere omstandigheid die aanleiding kan geven om een nuancering aan te brengen op het oordeel dat het onderhavige onderscheid gerechtvaardigd is. Ook het bepaalde in het IVRK leidt niet tot een ander oordeel.

3.2.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat de weigering om kinderbijslag te verstrekken in strijd is met artikel 14 in verbinding met artikel 8 van het EVRM. Ook heeft de Hoge Raad in het arrest van 23 november 2012 onvoldoende betekenis toegekend aan de belangen van het kind bij het verkrijgen van kinderbijslag. Om die reden hebben de gemachtigde van appellant en zijn kantoorgenoten, namens de betrokkenen in het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012, op 8 mei 2013 een klacht ingediend bij het Human Rights Committee (VN-Mensenrechtencomité) te Geneve. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant de Raad verzocht de onderhavige procedure aan te houden totdat het VN-Mensenrechtencomité zijn Inzichten heeft vastgesteld.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, wordt geen aanleiding gezien deze procedure aan te houden, nu het niet ondenkbeeldig is dat het nog geruime tijd zal duren voordat het VN-Mensenrechtencomité zijn Inzichten zal hebben vastgesteld, nog daargelaten de vraag of een eventueel gegronde klacht (directe) consequenties heeft voor het onderhavige hoger beroep.

4.2.

Het geding betreft het recht op kinderbijslag over het derde kwartaal van 2010 tot en met het derde kwartaal van 2011. Niet in geschil is dat appellant aan het nationale recht geen recht op kinderbijslag kan ontlenen. Wel in geschil is de vraag of uit het internationale recht moet worden afgeleid dat appellant, in de periode in geding, niet mag worden uitgesloten van de verzekering voor de AKW op de grond dat hij niet beschikt over een verblijfstitel als in artikel 6, tweede lid, van de AKW genoemd.

4.3.

Kortheidshalve wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:994) in een met het onderhavige geding vergelijkbaar zaak. In die uitspraak heeft de Raad, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van

23 november 2012, overwogen dat het beroep op artikel 8 in samenhang met artikel 14 van het EVRM niet kan slagen. Van dusdanige schrijnende omstandigheden dat deze in het geval van appellant zouden moeten leiden tot het buiten toepassing laten van het koppelingsbeginsel is niet gebleken. De stelling van appellant dat hij in Nederland geen verblijfsrecht krijgt op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, maar ook niet terug kan naar Turkije, brengt niet mee dat een uitzondering op de strikte uitleg van het koppelingsbeginsel moet worden gemaakt. De in 4.2 geformuleerde vraag dient dan ook ontkennend te worden beantwoord.

4.4.

De aangevallen uitspraak dient derhalve bevestigd te worden.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos , in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2014.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) E. Heemsbergen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip ingezetene

CVG