Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2716

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
13-08-2014
Zaaknummer
12-4357 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing Wajong-aanvraag. Appellante heeft in beroep noch in hoger beroep medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij meer of anders beperkt is dan is opgenomen in de FML ..., dan wel dat zij permanente hulp en begeleiding nodig heeft. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat appellante gelet op haar functionele mogelijkheden de voorgehouden functies kan verrichten en dat daarbij geen relevant verlies aan verdienvermogen ontstaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4357 WAJONG

Datum uitspraak: 30 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 13 juli 2012, 11/6075 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L.A.M. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2014. Appellante is met bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.

Appellante, geboren [in] 1990, heeft op 9 mei 2011 een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) in verband met een lichte verstandelijke beperking. Deze aanvraag is, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, bij besluit van 21 juli 2011 afgewezen. Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is, na nader medisch en arbeidskundig onderzoek, bij besluit van 7 november 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellante op de eerste dag waarop zij aanspraak zou kunnen maken op een Wet Wajong-uitkering (zestien weken na de dag waarop de aanvraag is ingediend) benutbare mogelijkheden had voor arbeid, waarmee zij tenminste 75% van het minimumloon kan verdienen.

2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - kort samengevat - overwogen dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Op grond van alle beschikbare gegevens moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de verzekeringsartsen bij appellante niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Met name blijkt uit de rapporten van de verzekeringsartsen dat zij op de hoogte waren van de verstandelijke beperkingen van appellante. Daarbij hebben de verzekeringsartsen de medische informatie van Amarant, Cardan en CIZ in hun oordeel meegewogen en zijn mede op basis daarvan tot de conclusie gekomen dat appellante beperkingen heeft in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren. De rechtbank overweegt verder dat uit de CIZ-indicatie blijkt dat sprake moet zijn van ‘enige’ begeleiding en toezicht. Naar het oordeel van de rechtbank wijst het besluit, anders dan appellante meent, niet op meer beschutting, begeleiding en toezicht dan door het Uwv in de Functionele Mogelijkhedenlijst van

1 november 2011 is aangenomen. Met verwijzing naar de rapporten van de arbeidsdeskundigen heeft de rechtbank zich voorts verenigd met de conclusie dat appellante de haar voorgehouden functies moet kunnen verrichten.

3.

In hoger beroep heeft appellante, evenals in beroep, benadrukt dat de begeleiding en het toezicht die zij volgens de CIZ-indicatie nodig heeft, zwaarder (moeten) zijn dan door de rechtbank is aangenomen. Zij heeft in werkelijkheid permanente hulp en begeleiding nodig.

4.

De Raad overweegt als volgt.

4.1.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van de gronden van het beroep bij de rechtbank. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak deze gronden besproken en is tot het oordeel gekomen dat deze niet kunnen slagen. De Raad onderschrijft dit oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Appellante heeft in beroep noch in hoger beroep medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij meer of anders beperkt is dan is opgenomen in de FML van

1 november 2011, dan wel dat zij permanente hulp en begeleiding nodig heeft. De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat appellante gelet op haar functionele mogelijkheden de voorgehouden functies kan verrichten en dat daarbij geen relevant verlies aan verdienvermogen ontstaat.

4.2.

Gelet op hetgeen in 4.1 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) J.C. Hoogendoorn

IvZ