Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2715

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
13-08-2014
Zaaknummer
12-4869 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:3873, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4869 WIA

Datum uitspraak: 30 juli 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 juli 2012, 11/5429 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.H. Benard, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2014. Namens appellante is verschenen mr. Benard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als opbouwwerker voor 31,95 uur per week. Op

29 augustus 2009 heeft zij zich, aansluitend aan haar uitkering ingevolge de Wet arbeid en zorg (Wazo), arbeidsongeschikt gemeld wegens klachten als gevolg van haar zwangerschap en bevalling. Na het volbrengen van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In dat kader is appellante op 21 juni 2011 onderzocht door een arts. Deze heeft op basis van zijn

onderzoek - bestaande uit dossierstudie, anamnese, lichamelijk onderzoek en onderzoek van de psyche - vastgesteld dat appellante als gevolg van haar lichamelijke klachten beperkingen heeft. Deze beperkingen heeft de arts weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Vervolgens heeft er een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen werk, maar nog wel geschikt voor een vijftal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op minder dan 35%. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van

4 juli 2011 vastgesteld dat voor appellante met ingang van 6 juni 2011 geen recht op een

WIA-uitkering is ontstaan omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2. Bij besluit van 4 november 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv - met verwijzing naar de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 2 november 2011 en de bezwaararbeidsdeskundige van 3 november 2011 - het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 juli 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - samengevat - geen aanknopingspunten gevonden om te concluderen dat het medisch onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest of tot een onjuiste vaststelling van de belastbaarheid van appellante heeft geleid. De rechtbank heeft in haar uitspraak aandacht besteed aan de door appellante in beroep overgelegde medische informatie, waaronder de informatie van de Riagg. De rechtbank achtte voorts de door de (bezwaar)arbeidsdeskundige geduide functies passend voor appellante.

3.

In hoger beroep heeft appellante zich opnieuw op het standpunt gesteld dat haar klachten onvoldoende zijn beoordeeld. Appellante stelt dat er een duidelijke diagnose is met betrekking tot haar rugklachten en dat de in de FML opgenomen beperking ten aanzien van het aspect ‘zitten’ onvoldoende is. Zij kan niet langer dan 10 à 15 minuten aaneengesloten zitten. De samenhang van problemen in de thuissituatie en het feit dat zij lichamelijk niet meer kan wat ze vroeger kon, heeft haar in psychische problemen gebracht. De huisarts heeft haar in verband met depressieve klachten verwezen naar de Riagg. Het Uwv heeft haar psychische problematiek miskend. Wat betreft de geduide functies merkt appellante op dat er in de functies veel gezeten moet worden en dat zij ook veelvuldig moet werken met een computer, hetgeen voor haar te belastend is. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij nadere medische informatie ingebracht.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit en kan zich in hoofdlijnen verenigen met de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

4.2.

Er is sprake geweest van een zorgvuldig verricht medisch onderzoek waarover op inzichtelijke wijze is gerapporteerd. Daarbij is rekening gehouden met informatie van de behandelend orthopedisch chirurg en informatie uit Turkije (een MRI). In de FML zijn beperkingen aangenomen in verband met rugklachten en diverse pijnklachten aan het bewegingsapparaat. Er bestaat geen aanleiding voor twijfel aan de door de primaire arts - en door de bezwaarverzekeringsarts akkoord bevonden - vastgestelde functionele mogelijkheden van appellante. De in beroep overgelegde medische informatie biedt geen aanknopingspunten voor een andersluidend oordeel.

4.3.

Verder zijn er onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de psychische klachten van appellante heeft miskend. Uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 2 november 2011 blijkt dat appellante eerst ter hoorzitting van 28 september 2011 melding heeft gemaakt van het feit dat het geheel een mentale invloed op haar heeft. Omdat appellante niet onder behandeling was, geen psychofarmaca gebruikte en de primaire arts noch de bezwaarverzekeringsarts bij onderzoek van de psyche aanwijzingen vonden voor psychopathologie, was er geen reden om in de FML psychische beperkingen aan te nemen. Anders dan appellante meent, zijn er onvoldoende aanwijzingen om uit te gaan van het bestaan van depressieve klachten op de datum in geding. Uit de brief van de Riagg van

16 maart 2012 blijkt dat ruim na de datum in geding, op 24 januari 2012, een intakegesprek heeft plaatsgevonden. Naast de partner-relatieproblemen was er volgens de Riagg bij appellante sprake van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. De Raad verwijst nog naar de reactie van de bezwaarverzekeringsarts, weergegeven in de rapporten van

25 januari 2012 en 6 november 2012, en naar hetgeen het Uwv in verweer in hoger beroep heeft overwogen.

4.4.

In hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, ziet de Raad geen reden om te oordelen dat de beperkingen van appellante op de datum in geding zijn onderschat. De in hoger beroep overgelegde informatie van psycholoog drs. P.M. de Graav van

14 maart 2014 leidt niet tot een ander oordeel. Uit die informatie blijkt dat appellante voor haar depressieve klachten na de datum in geding, februari 2014, onder behandeling is gekomen en de informatie van de psycholoog niet ziet op de datum in geding, te weten

6 juni 2011. Ook de overige in hoger beroep overgelegde stukken hebben geen betrekking op de datum in geding en bevatten ook geen gegevens die erop wijzen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen de gezondheidstoestand van appellante ten tijde hier van belang onjuist hebben beoordeeld.

4.5.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit merkt de Raad het volgende op. Uitgaande van de juistheid van de FML ziet de Raad zich gesteld voor de vraag of de functie van werkplanner garage, receptionist garage (SBC-code 521011) wel aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd wegens een (mogelijke) overschrijding van de belastbaarheid op het aspect ‘staan’. Ook indien hiervan zou worden uitgegaan, resteren er voldoende (reserve)functies die, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellante in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt en waarmee de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% blijft. Dit betekent dat de (medische en) arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit als voldoende deugdelijk is aan te merken.

4.6.

Hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) J.C. Hoogendoorn

RK