Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2713

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-08-2014
Datum publicatie
13-08-2014
Zaaknummer
12-5691 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu appellant aan de Svb heeft doorgegeven dat de kinderen bij hun grootouders woonden, volgt hieruit dat appellant onjuiste informatie heeft verstrekt. De Svb was daarom in beginsel gehouden het recht op kinderbijslag te herzien. Niet gezegd kan worden dat appellant niet heeft kunnen onderkennen dat hij ten onrechte kinderbijslag ontving. Het komt voor risico van appellant dat hij, naar eigen zeggen, een aantal jaren achtereen niet op de hoogte was van de feitelijke verblijfplaats van zijn kinderen. Dit betekent dat het hiervoor weergegeven beleid de Svb geen aanleiding hoefde te geven af te zien van herziening met volledige terugwerkende kracht. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de Svb desondanks met een kortere terugwerkende kracht had moeten herzien is niet gebleken. De Raad bepaalt dat appellant geen recht heeft op kinderbijslag voor zijn in Turkije wonende kinderen vanaf het vierde kwartaal van 2004 tot en met het tweede kwartaal van 2011 en dat van hem een bedrag van € 38.111,92 wordt teruggevorderd wegens ten onrechte ontvangen kinderbijslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5691 AKW

Datum uitspraak: 8 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van
10 september 2012, 12/1864 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gürses. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. N. Zuidersma-Hovers.

OVERWEGINGEN

1.1. Vier kinderen van appellant, [A.], [B.], [C.] en [D.], zijn woonachtig in Turkije. Appellant heeft kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontvangen, in bepaalde perioden voor sommige kinderen tweevoudig. Op 8 oktober 2004 heeft appellant de Svb gemeld dat zijn kinderen per 28 september 2004 wonen bij, en verzorgd worden door, zijn ouders in Turkije. Hij heeft onderhoudsbijdragen overgemaakt aan zijn ouders.

1.2. In het kader van een onderzoek naar het recht op tweevoudige kinderbijslag voor kinderen in Turkije heeft een medewerker van de sociaal attaché, verbonden aan de Nederlandse ambassade in Ankara, een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van het recht van appellant op kinderbijslag. Daarbij is in het bijzonder aandacht besteed aan waar de kinderen woonachtig waren, wie de kinderen verzorgde en of ze onderwijs volgden. Als gevolg van de uitkomsten van dit onderzoek heeft de Svb, bij beslissing op bezwaar van 7 mei 2012 (bestreden besluit), zijn besluiten van 1 augustus 2011 gehandhaafd waarbij het recht op kinderbijslag van appellant is herzien met ingang van het derde kwartaal van 2004 en waarbij tevens een bedrag van € 39.613,17 van hem is teruggevorderd. De Svb stelt dat uit het onderzoek is gebleken dat de kinderen, voor zover van belang, hebben gewoond bij en zijn verzorgd door hun moeder, de ex-vrouw van appellant. Nu appellant onjuiste informatie heeft verstrekt over de woonplaats van zijn kinderen en de verzorger van hen, is een herziening van de kinderbijslag met volledig terugwerkende kracht aan de orde.

2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep bestrijdt appellant niet langer dat de kinderen bij zijn ex-vrouw hebben gewoond en door haar zijn verzorgd, maar stelt hij dat hij daarvan niet op de hoogte was. Bij zijn vertrek uit Turkije midden 2004 heeft hij afspraken gemaakt met zijn ex-vrouw, zijn ouders en zijn kinderen over de verzorging en de woonplaats van de kinderen en over de betaling van de onderhoudsbijdragen. Hij stelt niet op de hoogte te zijn geweest van het feit dat de situatie in Turkije anders was dan destijds afgesproken.

4.

De Raad komt tot het volgende oordeel.

4.1.

Voorop wordt gesteld dat in het verweerschrift bij de rechtbank de Svb heeft laten weten dat het moment waarop de herziening en de terugvordering ingaan onjuist is vastgesteld en dat dit het vierde kwartaal van 2004 moet zijn. Als gevolg daarvan dient het terug te vorderen bedrag € 1.501,25 lager te zijn. Reeds hierom dient de aangevallen uitspraak vernietigd te worden, alsmede het bestreden besluit.

4.2.

In het kader van de definitieve geschilbeslechting zal de Raad het geschil inhoudelijk beoordelen.

4.3.

Tussen partijen is in geschil of de Svb terecht is overgegaan tot herziening met terugwerkende kracht van de aanspraak op kinderbijslag van appellant ten behoeve van zijn kinderen over het vierde kwartaal van 2004 tot en met het tweede kwartaal van 2011, alsmede tot de terugvordering van de in die kwartalen uitbetaalde kinderbijslag.

4.4.

Partijen verschillen niet meer van mening over de verblijfplaats van de kinderen en over degene die de kinderen heeft verzorgd. Appellant meent echter dat de Svb niet met volledig terugwerkende kracht het recht op kinderbijslag mocht herzien. Achteraf gezien heeft hij onjuiste inlichtingen verstrekt, maar hij verkeerde in de veronderstelling dat hij juist handelde.

4.5.

De Svb heeft een beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledige terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen, en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. Voorts blijkt uit de beleidsregels van de Svb dat met toepassing van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geheel of gedeeltelijk van herziening wordt afgezien als de bijzondere omstandigheden van het geval tot het oordeel leiden dat een volledige terugwerkende kracht kennelijk onredelijk is.

4.6.

Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 5 november 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO3352), moet het door de Svb ter zake gevoerde beleid aangemerkt worden als een buitenwettelijk, begunstigend beleid. Naar vaste rechtspraak dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.

4.7.

Nu appellant aan de Svb heeft doorgegeven dat de kinderen bij hun grootouders woonden, volgt hieruit dat appellant onjuiste informatie heeft verstrekt. De Svb was daarom in beginsel gehouden het recht op kinderbijslag te herzien. Niet gezegd kan worden dat appellant niet heeft kunnen onderkennen dat hij ten onrechte kinderbijslag ontving. Het komt voor risico van appellant dat hij, naar eigen zeggen, een aantal jaren achtereen niet op de hoogte was van de feitelijke verblijfplaats van zijn kinderen. Dit betekent dat het hiervoor weergegeven beleid de Svb geen aanleiding hoefde te geven af te zien van herziening met volledige terugwerkende kracht. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de Svb desondanks met een kortere terugwerkende kracht had moeten herzien is niet gebleken.

4.8.

Zoals onder 4.1 is overwogen moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Raad ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren, de besluiten van 1 augustus 2011 te herroepen en te bepalen dat appellant geen recht heeft op kinderbijslag voor zijn in Turkije wonende kinderen vanaf het vierde kwartaal van 2004 tot en met het tweede kwartaal van 2011 en dat van hem een bedrag van € 38.111,92 wordt teruggevorderd wegens ten onrechte ontvangen kinderbijslag.

5.

De Raad ziet aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 974,- in beroep en eveneens € 974,- in hoger beroep. Appellant heeft tevens verzocht om vergoeding van de kosten in bezwaar als bedoeld in artikel 7:15 van de Awb. Deze kosten worden begroot op € 974,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 7 mei 2012;

  • -

    herroept de besluiten van 1 augustsus 2011;

  • -

    bepaalt dat appellant geen recht heeft op kinderbijslag voor zijn in Turkije wonende kinderen van het vierde kwartaal van 2004 tot en met het tweede kwartaal van 2011;

  • -

    bepaalt dat van appellant een bedrag van € 38.111,92 wordt teruggevorderd;

  • -

    veroordeelt de Svb in de kosten in bezwaar en in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.922,-;

  • -

    bepaalt dat de Svb aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 157,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en
E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2014.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) G.J. van Gendt

NW