Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2710

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-07-2014
Datum publicatie
13-08-2014
Zaaknummer
12-5539 WWB
Formele relaties
Tussenuitspraak bestuurlijke lus: ECLI:NL:CRVB:2013:2725
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad stelt vast dat in het aanvullend GGD-advies van 15 januari 2014 in het geheel niet wordt ingegaan op het standpunt van de huisarts en van PMC dat bij appellante sprake is van reumatoïde artritis. Evenmin blijkt daaruit dat bij behandelaars van appellante daar navraag naar is gedaan. Ook uit het naar aanleiding van een nieuwe aanvraag voor bijzondere bijstand voor warmtetoeslag opgemaakte rapport van de GGD van 13 mei 2014 blijkt niet dat daar gericht onderzoek naar is gedaan. De Raad moet het er onder deze omstandigheden voor houden dat de GGD het standpunt van behandelaars van appellante dat zij lijdt aan reuma/gewrichtsaandoeningen waardoor zij bij koude extra pijnklachten ervaart niet kan weerleggen, voor welk oordeel mede van betekenis wordt geacht dat aan appellante van 2006 tot en met 2010 bij dezelfde klachten ook warmtetoeslag is toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5539 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

23 augustus 2012, 12/1241 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 20 november 2013 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2013:2725, gedaan.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college bij brief van 22 januari 2014 een aanvullend advies van de GGD Rotterdam-Rijnmond ingezonden. Dit advies is ondertekend door de arts A. Knegt en gedateerd op 15 januari 2014. Het college heeft voorts

- desgevraagd - een afschrift van het beleid ingezonden.

Namens appellante heeft mr. W.H.van Zundert, advocaat, bij brieven van 20 maart 2014 en

6 juni 2014 een zienswijze en nadere stukken ingezonden.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2014. De zaak is gevoegd behandeld met 12/5538 en 14/1883 WMO. Voor appellante is verschenen mr. Van Zundert. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Plaisier. Na de zitting zijn de zaken gesplitst. Er wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een overzicht van feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak.

2.

Het college stelt zich in de brief van 22 januari 2014 op het standpunt dat met het

GGD-advies van 15 januari 2014 het gebrek in het bestreden besluit van 3 februari 2012 is hersteld.

3.

Appellant heeft dit in zijn zienswijze van 20 maart 2014 en 6 juni 2014 bestreden. De GGD is geheel voorbijgegaan aan informatie van de huisarts dat appellante, naast andere aandoeningen, aan een ernstige vorm van reumatoïde artritis lijdt waardoor zij extra gevoelig is voor koude en haar huis extra warm moet stoken om de pijn enigszins te verzachten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Blijkens de stukken en het verhandelde op de zitting voert het college de gedragslijn dat bijzondere bijstand in de vorm van een warmtetoeslag wordt toegekend indien medisch advies uitwijst dat sprake is van immobiliteit, veroorzaakt door zware reumaklachten, of bij volledige immobiliteit waardoor de lichaamstemperatuur niet op peil kan worden gehouden. Wat de reumaklachten betreft, geeft de GGD daaraan uitvoering door de volgende gedragslijn: “Een ander criterium is of een cliënt lijdt aan een ernstige vorm van reumatoïde artritis of de ziekte van Bechterew omdat het een ervaringsfeit is dat deze groep clienten bij koude een toename van de klachten ervaart.”

4.2.

In rechtsoverweging 5 van de tussenuitspraak heeft de Raad overwogen dat het college nader (medisch) onderzoek diende te (laten) verrichten naar het bestaan van een medische noodzaak om het huis extra te verwarmen door hoger te stoken, waarbij in ieder geval de navolgende medische informatie diende te worden betrokken: de verklaring van de huisarts H.Th.M. Willems van 3 oktober 2007 en van PMC van 12 augustus 2010 dat appellante niet alleen aan ernstige fibromyalgie en chronische anemie door een verminderde nierfunctie lijdt, maar ook aan de in medische verklaringen genoemde reumatoïde artritis, waardoor appellante vrijwel immobiel is en het daardoor altijd koud heeft; de verklaring van J.A. Kanhai, de huidige huisarts van appellante, in zijn brief van 13 september 2013 dat appellante sinds 1999 bekend is met fibromyalgie, dat zij meer last heeft van spieren en gewrichten bij koude temperatuur en dat zij het huis extra warm moet stoken om de pijn te verzachten.

4.3.

De Raad stelt vast dat in het aanvullend GGD-advies van 15 januari 2014 in het geheel niet wordt ingegaan op het standpunt van de huisarts en van PMC dat bij appellante sprake is van reumatoïde artritis. Evenmin blijkt daaruit dat bij behandelaars van appellante daar navraag naar is gedaan. Ook uit het naar aanleiding van een nieuwe aanvraag voor bijzondere bijstand voor warmtetoeslag opgemaakte rapport van de GGD van 13 mei 2014 blijkt niet dat daar gericht onderzoek naar is gedaan. De Raad moet het er onder deze omstandigheden voor houden dat de GGD het standpunt van behandelaars van appellante dat zij lijdt aan reuma/gewrichtsaandoeningen waardoor zij bij koude extra pijnklachten ervaart niet kan weerleggen, voor welk oordeel mede van betekenis wordt geacht dat aan appellante van 2006 tot en met 2010 bij dezelfde klachten ook warmtetoeslag is toegekend.

4.4.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep gegrond is en dat de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op de warmtetoeslag, alsmede het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de warmtetoeslag, dienen te worden vernietigd. Nu namens het college ter zitting is verklaard dat bij een positief medisch advies zonder meer warmtetoeslag wordt toegekend, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit van

6 september 2011, dat betrekking heeft op de warmtetoeslag, te herroepen en te bepalen dat aan appellante voor het jaar 2011 bijzondere bijstand in de vorm van een warmtetoeslag wordt toegekend. Nu deze toeslag in de jaren 2006 tot en met 2010 is toegekend voor de gehele woning, zal de Raad dat ook doen voor het jaar 2011. Dit betekent dat de toeslag wordt vastgesteld op € 704,-.

5.

Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 974,- in bezwaar, € 487,- in beroep en op € 739,50 in hoger beroep, derhalve in totaal

€ 2.200,50. De kosten verband houdende met de zittingen bij de rechtbank en de Raad worden niet apart vergoed, nu deze reeds vergoed zijn in de uitspraak van de Raad inzake reg.nrs. 12/5538 WMO en 14/1883 WMO.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de warmtetoeslag;

  • -

    verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond, voor zover dat betrekking heeft op

de warmtetoeslag en vernietigt dit besluit in zoverre;

  • -

    herroept het primaire besluit van 6 september 2011;

  • -

    bepaalt dat appellante recht heeft op bijzondere bijstand in de vorm van een warmtetoeslag

van in totaal € 704,- voor het jaar 2011;

  • -

    veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 2.200,50;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van € 42,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2014.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) M. Crum

IvZ