Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2705

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-08-2014
Datum publicatie
13-08-2014
Zaaknummer
13-876 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem, al dan niet via derden, onmogelijk was op of korte tijd na 30 maart 2012 bij het college te (laten) melden dat hij in detentie verbleef. Schending inlichtingenverplichting. Geen zeer dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2014/224

Uitspraak

13/876 WWB

Datum uitspraak: 12 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 januari 2013, 12/9506 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 17 juni 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 25 september 1998 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een signaal van het inlichtingenbureau (IB-signaal) dat appellant per 30 maart 2012 is gedetineerd, heeft het college bij besluit van 12 april 2012 de uitbetaling van de bijstand met ingang van 1 april 2012 opgeschort (lees: geblokkeerd).

1.3.

Bij besluit van 7 mei 2012 heeft het college de uitbetaling van de bijstand met ingang van 13 april 2012 hervat en de bijstand over de periode van 1 april 2012 tot en met 12 april 2012 ingetrokken. Bij besluit van eveneens 7 mei 2012 heeft het college de bijstand over 30 en

31 maart 2012 herzien (lees: ingetrokken) en de over die dagen gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 57,33 van appellant teruggevorderd. Deze besluiten berusten op de grondslag dat appellant in de periode van 30 maart 2012 tot en met 12 april 2012 in detentie verbleef. Hiervan heeft appellant niet uit eigen beweging bij het college melding gemaakt, zodat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

1.4.

Bij besluit van 27 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het college onder meer de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 12 april 2012 en 7 mei 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover daarin is beslist op de bezwaren tegen de besluiten van 12 april 2012 en

7 mei 2012, ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat de door hem verstrekte inlichtingen volledig zijn, althans in die mate dat zijn recht op bijstand kon worden vastgesteld, zodat de uitbetaling van de uitkering ten onrecht is geblokkeerd.

4.1.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Of het blokkeren van de uitbetaling van bijstand geoorloofd is, hangt volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van

12 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4929) af van het antwoord op de vraag of het bijstandverlenend orgaan op goede gronden van oordeel is, althans ten minste het gegronde vermoeden kan hebben, dat een betrokkene geen recht (meer) heeft op een (volledige) bijstandsuitkering. Als regel zal daartoe aanleiding bestaan als uit onderzoek gegevens bekend worden die erop wijzen dat een betrokkene zijn wettelijke inlichtingenverplichting niet of niet volledig is nagekomen, maar nog onvoldoende grondslag bestaat om alvast tot herziening of intrekking van de bijstand over te gaan.

4.1.2.

Vaststaat dat het college via een IB-signaal in kennis is gesteld van de detentie van appellant per 30 maart 2012. Daardoor kon bij het college tenminste het gegronde vermoeden ontstaan dat appellant vanaf die datum geen recht (meer) had op een bijstandsuitkering. Reeds hierom kon het college in redelijkheid de bijstand met ingang van 1 april 2012 blokkeren.

4.2.1.

Niet in geschil is dat appellant in de periode van 30 maart 2012 tot en met 12 april 2012 in detentie heeft verbleven. Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor degene aan wie rechtens de vrijheid is ontnomen. Appellant is van mening dat hem niet rechtens zijn vrijheid is ontnomen, omdat zijn aanhouding en detentie niet conform artikel 28 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften hebben plaatsgehad. Voor het nemen van de besluiten zoals genoemd in 1.2 en 1.3 bestond volgens appellant daarom geen grondslag.

4.2.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor het recht op bijstand is niet van belang of de vrijheidsontneming achteraf bezien, wat daarvan in dit geval ook zij, ten onrechte is geweest. In dit verband kan bijvoorbeeld worden gewezen op de uitspraak van de Raad van

16 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7395. Omdat appellant van 30 maart 2012 tot en met 12 april 2012 in detentie heeft verbleven had hij over die periode geen recht op bijstand.

4.2.3.

Appellant stelt voorts dat hij, mede gelet op zijn psychische onmacht, niet de mogelijkheid had om het college in kennis te stellen van het feit dat hij in detentie verbleef. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zijn detentie van invloed kon zijn op zijn recht op bijstand, zodat hij daarvan onverwijld uit eigen beweging bij het college melding had moeten maken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem, al dan niet via derden, onmogelijk was op of korte tijd na 30 maart 2012 bij het college te (laten) melden dat hij in detentie verbleef. Appellant heeft, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dan ook de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.3.

Gelet op de overwegingen 4.2.1 tot en met 4.2.3 was het college op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand in te trekken over de periode van 30 maart 2012 tot en met 12 april 2012. Het college was op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB tevens bevoegd de over 30 en 31 maart 2012 gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen. Tegen de aanwending van deze bevoegdheden heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden naar voren gebracht.

4.4.

Ten slotte heeft appellant betoogd dat sprake is van zeer dringende redenen op grond waarvan het college bijzondere bijstand had moeten verstrekken voor zijn woonkosten omdat hij voorafgaand aan zijn detentie daarvoor geen regeling heeft kunnen treffen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WWB kan het college aan een persoon die geen recht heeft op bijstand, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van paragraaf 2.2, bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat, nog afgezien van het feit dat appellant geen aanvraag om bijzondere bijstand heeft ingediend, de enkele stelling dat hij geen afdoende regeling heeft kunnen treffen met betrekking tot zijn woonlasten onvoldoende is.

4.5.

Gelet op de overwegingen 4.1 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) A.C. Oomkens

HD