Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:2697

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-08-2014
Datum publicatie
12-08-2014
Zaaknummer
12-6632 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vergoedingen in verband met niet opgenomen vakantiedagen moeten als inkomsten in verband met arbeid worden gerekend tot de middelen als bedoeld in artikel 42 van de Algemene bijstandswet (Abw). De vergoedingen zijn verder terecht toegerekend aan de maanden waarin zij zijn uitbetaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6632 WWB, 14/1092 WWB

Datum uitspraak: 5 augustus 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2012, 12/1091 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.C.F. Kramer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 4 december 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar (het nadere besluit) genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 13 mei 2014. Voor appellant is mr. Kramer verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving ten tijde hier van belang bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Appellant heeft van 9 juli 2007 tot 9 november 2009 als flexwerker parttime werkzaamheden verricht bij [bedrijf]. Het college heeft de arbeidsinkomsten van appellant geheel op de bijstandsuitkering in mindering gebracht.

1.3.

Bij brief van 22 februari 2011 heeft appellant het college bericht dat over de periode van juli 2007 tot en met november 2009 teveel inkomsten op zijn uitkering in mindering zijn gebracht. Naar aanleiding van deze brief heeft het college een onderzoek naar het recht op uitkering ingesteld en daarbij vastgesteld dat appellant over de periode 9 juli 2007 tot en met 8 november 2009 een bedrag van € 49,83 te veel aan bijstand heeft ontvangen, wegens te weinig gekorte inkomsten. Bij besluit van 11 augustus 2011 heeft het college appellant bericht dat de bijstand over deze periode wordt herzien en dat het terug te vorderen bedrag van

€ 49,83 (netto) wordt verrekend met het vakantiegeld van € 543,09 dat appellant nog van het college tegoed heeft.

1.4.

Bij besluit van 25 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 11 augustus 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant neemt. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college terecht het vakantiegeld van de werkgever en de vergoeding voor niet genoten vakantiedagen als inkomsten in aanmerking heeft genomen. Het college heeft echter ten onrechte geen standpunt ingenomen of bij de berekening rekening had moeten worden gehouden met de inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder n, van de WWB.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken grond tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 4 december 2012 (nader besluit) de inkomsten van appellant tot 25% gedurende zes maanden, van augustus 2007 tot en met januari 2008, vrijgelaten met een maximum van € 177,- per maand. Om die reden heeft appellant recht op een nabetaling van € 405,63. Het college heeft verder wettelijke rente toegekend over de na te betalen bijstand tot een bedrag van € 147,55.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het nadere besluit wordt gelet op de artikelen 6:18 (oud) en 6:19, eerste lid, (oud) en 6:24 (oud) van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrokken.

5.2.

Het geschil is beperkt tot de vraag of het college terecht de maandelijks uitbetaalde vergoedingen voor de niet opgenomen vakantie-uren als inkomsten in aanmerking heeft genomen.

5.3.

Artikel 31, eerste lid, van de WWB bepaalt dat tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen worden gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

5.4.

Op grond van artikel 32, eerste lid van de WWB, voor zover hier van belang, wordt onder inkomen verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voor zover deze:

a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid (…); en

b. betrekking hebben op een periode waarop beroep op bijstand wordt gedaan.

5.5.

Tot de middelen moeten ook de door appellant maandelijks ontvangen vergoedingen in verband met niet opgenomen vakantie-uren worden gerekend. Al eerder heeft de Raad geoordeeld, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8808, dat vergoedingen in verband met niet opgenomen vakantiedagen, als inkomsten in verband met arbeid, moeten worden gerekend tot de middelen als bedoeld in artikel 42 van de Algemene bijstandswet (Abw). Geen aanleiding bestaat daar thans, onder artikel 31, eerste lid, van de WWB, dat van gelijke strekking is als artikel 42 van de Abw, anders over te oordelen. De vergoedingen zijn verder terecht toegerekend aan de maanden waarin zij zijn uitbetaald.

5.6.

Uit 5.2 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

5.7.

Appellant heeft tegen het nadere besluit geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd. Uit wat onder 5.6 is overwogen volgt dat het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond dient te worden verklaard.

5.8.

Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, is voor veroordeling tot vergoeding van schade geen plaats, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 december 2012 ongegrond.

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en A.M. Overbeeke en

M.C.D. Embregts als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2014.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) C.E.M. van Paddenburg

HD